De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet van verzoeker door Meram Rotterdam West B.V. vernietigd omdat Meram onvoldoende bewijs heeft geleverd dat verzoeker wederrechtelijk geld heeft onttrokken. Hoewel Meram camerabeelden en een accountantsverklaring overlegde, kon niet worden vastgesteld dat verzoeker zelf kasgelden heeft onttrokken. De verklaring van een getuige over kasgeldgebruik door verzoeker en zijn broers was onvoldoende om het ontslag te rechtvaardigen.
Omdat het ontslag op staande voet ongeldig is, is de arbeidsovereenkomst niet geëindigd en heeft verzoeker recht op doorbetaling van loon vanaf april 2017 tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam verstoord is, mede door de onterechte beschuldigingen aan het adres van verzoeker, en ontbond de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juni 2018 zonder transitievergoeding.
Daarnaast werd aan verzoeker een billijke vergoeding van € 1.000,- bruto toegekend vanwege het onterecht ontslag en de omstandigheden van de procedure. Verzoeker moet de bedrijfsauto binnen vijf dagen na betekening inleveren, onder dreiging van een dwangsom. De vorderingen van Meram op grond van een rekening-courantovereenkomst werden afgewezen wegens gebrek aan partijstelling. Verdere beslissingen over andere vorderingen zijn aangehouden.