ECLI:NL:RBROT:2018:11386

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 december 2018
Publicatiedatum
5 december 2019
Zaaknummer
C/10/562162 / JE RK 18-3519 en C/10/563221 / JE RK 18-3703
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:212 BWArt. 1:250 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking tot uithuisplaatsing van twee jonge kinderen wegens schending afspraken en vermoedelijk geweld

De rechtbank Rotterdam behandelde op 3 december 2018 een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot machtiging van uithuisplaatsing van twee jonge kinderen, [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2]. De moeder had afspraken met de GI geschonden en er waren sterke aanwijzingen dat de jongste minderjarige opnieuw getuige was geweest van gewelddadig gedrag van de vader. De oudste minderjarige verbleef inmiddels in een netwerkpleeggezin en de jongste in een crisispleeggezin.

De GI verzocht om verlenging van de uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling, mede vanwege onduidelijkheid over contact tussen de kinderen en de vader, die een trauma heeft en zijn afspraken niet nakomt. De moeder voerde verweer en beloofde geen contact meer te hebben met de vader en de gemaakte afspraken na te komen. De rechtbank oordeelde dat het belang van de kinderen het meest gediend was met voortzetting van de uithuisplaatsing, mede in afwachting van een voorgenomen verhuizing van de moeder.

Daarnaast benoemde de kinderrechter een bijzondere curator voor de oudste minderjarige vanwege mogelijke belangenconflicten tussen de minderjarige en de gezaghebbende ouders, met het oog op afstammings- en gezagskwesties. De machtiging tot uithuisplaatsing werd verleend tot 1 maart 2019, met een zitting gepland op 21 februari 2019 voor verdere behandeling.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de twee minderjarige kinderen voor drie maanden en benoemt een bijzondere curator voor de oudste minderjarige.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
zaakgegevens: C/10/562162 / JE RK 18-3519
C/10/563221 / JE RK 18-3703
datum uitspraak: 3 december 2018

beschikking uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam,
betreffende

[naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2012 te [geboorteplaats minderjarige 1] ,

hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] ,

[naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2016 te [geboorteplaats minderjarige 2] ,

hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, zonder vaste woon- of verblijfplaats hier in Nederland.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 26 november 2018, ingekomen bij de griffie op 28 november 2018.
Op 3 december 2018 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. M.P.G. Rietbergen,
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI, mevrouw [naam vertegenwoordigster 1] en mevrouw [naam vertegenwoordigster 2] .
Opgeroepen en niet verschenen is: de vader.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang tot de zitting verleend aan mevrouw [naam grootmoeder] , de grootmoeder moederszijde.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de ouders.
[voornaam minderjarige 1] verblijft in een netwerkpleeggezin. [voornaam minderjarige 2] verblijft in een crisispleeggezin.
Bij beschikking van 29 oktober 2018 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verlengd tot 6 november 2019. Bij beschikking van 9 november 2018 is een spoed-machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een crisispleeggezin verleend voor de duur van vier weken, te weten tot 7 december 2018. Bij beschikking van
20 november 2018 is deze beschikking gehandhaafd.

Het verzoek

De GI heeft een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verzocht voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI heeft het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. Na de zitting van 20 november 2018 heeft de GI als enige nieuwe informatie de melding van het Ikazia ziekenhuis gekregen. De vader heeft zelf aangegeven dat [voornaam minderjarige 2] op 19 oktober 2018 bij hem in de auto heeft gezeten. Aan de jeugdbeschermer is door de vader verzocht om een gesprek aan te gaan waarin hij bewijzen wilde laten zien dat er contact is geweest tussen hem en de moeder. Dit gesprek heeft niet plaatsgevonden omdat de jeugdbeschermer en de vader niet tegelijkertijd aanwezig waren op het kantoor van de GI. De vader is via de e-mail uitgenodigd voor deze zitting. Bekend van de vader is dat hij een trauma heeft en de afspraken met de reclasseerder en voor zijn therapie bij de Waag niet nakomt. Er is nog contact gezocht met het begeleid wonen over de vraag wie het oppas-kindje anders dan [voornaam minderjarige 2] heeft kunnen zijn. Gezegd werd dat er geen oppas-kindje zou zijn.
Voor [voornaam minderjarige 2] is papa uit den boze. De interactie tussen [voornaam minderjarige 2] en de moeder is goed. [voornaam minderjarige 1] heeft bij het laatste bezoek gevraagd of ‘ [voornaam vader] er nog woont?’. De GI kan dit niet verklaren, omdat [voornaam minderjarige 1] dit soort uitspraken het afgelopen jaar niet heeft gedaan. De GI heeft het sterke vermoeden dat er wel contact is geweest.
Afgelopen vrijdag vernam de GI dat [voornaam minderjarige 1] niet langer op het noodbed kon blijven waar hij was. De GI heeft er toen voor gekozen hem bij de grootmoeder moederszijde (mz) te plaatsen. Zij kent hem en de hulpverlenging is thuis geweest. Hij is een angstig jongetje.
De huidige verblijfplaats van [voornaam minderjarige 1] is niet in de buurt van zijn school. Er is niet altijd iemand in staat om hem naar school te brengen. Nu de GI van mening is dat het in het belang van [voornaam minderjarige 1] is om naar school te blijven gaan, wordt toestemming aan de moeder verleend om [voornaam minderjarige 1] naar school te brengen en hem op te halen, bij voorkeur in het bijzijn van een vertrouwde derde. Daarnaast zijn [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] beide erg angstig voor de vader. Duidelijk is dat de kinderen tot rust komen als er geen contact is met de vader.

Het standpunt van de belanghebbende

Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzochte. [voornaam minderjarige 2] is echt niet in de auto aanwezig geweest op 19 oktober 2018. Onduidelijk is waarom [voornaam minderjarige 1] naar de vader vraagt, aangezien hij een lange tijd geen contact met de vader heeft gehad. Vaststaat dat het contact met de vader problematisch is. De moeder heeft dan ook beloofd geen contact met de vader op te nemen en ook [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] niet in contact met de vader te brengen. De vader kan via de jeugdbeschermer in contact komen met de kinderen. Ook zal de moeder geen contact meer opnemen met [naam] , die ook aanwezig is geweest in de auto op 19 oktober 2018. De gemaakte afspraken met de GI van 14 november 2017 zullen door de moeder worden nagekomen. Er is een goede communicatie en samenwerking tussen de moeder en de GI. De moeder vindt het fijn dat zij het vertrouwen van de GI heeft gekregen om [voornaam minderjarige 1] , bij voorkeur in het bijzijn van een vertrouwde derde, naar school te brengen. Voor de moeder ontstaat zo een kans om het vertrouwen bij de GI terug te winnen om de verzorging en opvoeding van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] op den duur zelfstandig op zich te nemen. Verzocht wordt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] voor een kortere duur te verlenen. De moeder is voornemens te verhuizen.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat het onduidelijk blijft of [voornaam minderjarige 2] op 19 oktober 2018 in de auto bij de vader heeft gezeten, terwijl dat in strijd met de afspraken is. Er zijn zeer sterke aanwijzingen - van de vader, de politie en het Ikazia ziekenhuis - dat zij in de auto zat. Echter, de moeder blijft bij haar standpunt dat [voornaam minderjarige 2] op 19 oktober 2018 niet in de auto zat. Wel staat vast dat de moeder de afspraken met de GI heeft geschonden door zelf contact met de vader te hebben. Mede daardoor is ook de onduidelijke situatie rond [voornaam minderjarige 2] ontstaan. De moeder heeft hierover haar spijt betuigd. De moeder is heel blij dat [voornaam minderjarige 1] nu bij haar moeder verblijft. De moeder heeft het voornemen om te verhuizen. Zij zegt nogmaals toe geen contact meer te zullen opnemen met de vader. Zij zal de kinderen evenmin in contact met hem brengen. Als de vader contact wil met de kinderen, kan dat conform de afspraken via de GI.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hebben al veel te veel meegemaakt in hun jonge leven. Daarnaast laten zij na de meest recente uithuisplaatsing zorgelijk gedrag zien en lijken zij angstig voor de vader. [voornaam minderjarige 1] verblijft inmiddels bij de oma mz, wat de kinderrechter in zijn belang acht. [voornaam minderjarige 2] verblijft in het pleeggezin waar zij al eerder verbleef, waarmee deze plek voor haar geen onbekende plek is.
Onder deze omstandigheden is de kinderrechter van oordeel dat het het meest in het belang van de kinderen is om te blijven waar zij op dit moment zijn, in afwachting van de mogelijke verhuizing van de moeder. De GI zal (te zijner tijd) de afweging moeten maken of de kinderen na de verhuizing weer veilig bij de moeder kunnen wonen. Hieruit volgt dat de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] op dit moment nog noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW)). De kinderrechter zal een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor niet langer dan drie maanden, zodat in die periode kan worden onderzocht of de moeder (mede door een verhuizing) weer in staat zal zijn om de verzorging en opvoeding van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] op een verantwoorde manier op zich te nemen.
De kinderrechter acht daarnaast het volgende van belang. [voornaam minderjarige 1] is erkend door de vader en deze draagt mede het gezag over hem. [voornaam minderjarige 1] heeft contact met zijn biologische vader en beleeft hier plezier aan. Ambtshalve heeft de kinderrechter aan de orde gesteld in hoeverre deze (afstammings)situatie in het belang van [voornaam minderjarige 1] is. Ingevolge de artikelen 1:212 en 1:250 BW kan de kinderrechter een bijzondere curator benoemen in zaken betreffende afstamming en ook wanneer in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarigen, dan wel diens vermogen, de belangen van de met het gezag belaste ouder(s) in strijd zijn met die van de minderjarige. De bijzondere curator vertegenwoordigt de minderjarige ter zake zowel in als buiten rechte, indien de rechtbank dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht.
Gelet op het bovenstaande is er naar het oordeel van de kinderrechter sprake van een situatie als bedoeld in de artikelen 1:212 en 1:250 BW, wat betekent dat bezien dient te worden of er terzake van de afstamming van [voornaam minderjarige 1] (juridische) stappen genomen moeten worden. Aangezien de belangen van [voornaam minderjarige 1] en de gezaghebbende ouders op dit moment mogelijk met elkaar in strijd zijn acht de kinderrechter het in het belang van [voornaam minderjarige 1] noodzakelijk dat een bijzondere curator wordt benoemd om hem ter zake zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen.
De kinderrechter zal daarom een bijzondere curator benoemen met als opdracht:
  • [voornaam minderjarige 1] in en buiten rechte te vertegenwoordigen;
  • uit het oogpunt van het belang van [voornaam minderjarige 1] : haar visie te geven op en eventueel (juridische) stappen te ondernemen ter zake van de afstamming van [voornaam minderjarige 1] ;
  • al het nodige te doen wat in het belang van [voornaam minderjarige 1] is.

De beslissing

De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] in een netwerkpleeggezin tot
1 maart 2019;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 1 maart 2019;
benoemt tot bijzondere curator teneinde [voornaam minderjarige 1] te vertegenwoordigen:
mr. D.S. Lösing, kantoorhoudende aan de Van Vollenhovenstraat 21b te 3016 BG Rotterdam;
verzoekt de bijzondere curator uiterlijk een week voor na te noemen zittingsdatum van haar bevindingen schriftelijk verslag te doen aan de kinderrechter en de belanghebbenden;
verklaart deze beschikking voor zover uitvoerbaar bij voorraad;

en alvorens verder te beslissen:

bepaalt dat het verhoor van de GI, de belanghebbenden, mr. M.P.G. Rietbergen en de bijzondere curator in deze zaak zal plaatsvinden op
21 februari 2019te
10:30 uurin het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125;
de zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter;
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de GI, de belanghebbenden, mr. M.P.G. Rietbergen en de bijzondere curator.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2018 door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in tegenwoordigheid van M.J.A. Batenburg als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 28 december 2018.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.