De kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam behandelde een verzoek van de GI (Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond) om vervangende toestemming te verlenen voor een medische behandeling van een minderjarige. De minderjarige had een ongeluk gehad waarbij een voetletsel was opgelopen dat een tetanusinjectie noodzakelijk maakte. De vader, die samen met de moeder het ouderlijk gezag uitoefent, weigerde toestemming voor de injectie, niet op basis van levensbeschouwelijke bezwaren, maar uit protest tegen de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van het kind.
De kinderrechter overwoog dat het belang van het kind voorop staat en dat spoedige medische behandeling noodzakelijk was om ernstig gevaar voor de gezondheid af te wenden. De eis van de vader om eerst een gesprek met de arts te voeren werd niet als in het belang van het kind beschouwd. Omdat de weigering van toestemming niet op inhoudelijke medische of levensbeschouwelijke gronden was gebaseerd, werd de minst ingrijpende maatregel toegepast: vervangende toestemming voor de tetanusinjectie.
De beschikking werd op 19 april 2018 openbaar uitgesproken door kinderrechter M. van Kuilenburg. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden door belanghebbenden via het gerechtshof Den Haag.