ECLI:NL:RBROT:2018:1152

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 februari 2018
Publicatiedatum
16 februari 2018
Zaaknummer
6472536 VZ VERZ 17-28014
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • L.J. van Die
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:291 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Goedkeuring afwijkend huurbeding gekoppeld aan franchiseovereenkomst

Partijen, Verhage Franchise B.V. en een vennootschap onder firma, hebben een huurovereenkomst gesloten voor bedrijfsruimte met een looptijd van acht jaar, gekoppeld aan een franchiseovereenkomst met dezelfde looptijd. In de huurovereenkomst zijn bepalingen opgenomen die de beëindiging van de franchiseovereenkomst direct laten leiden tot het einde van de huurovereenkomst.

De kantonrechter beoordeelt het verzoek tot goedkeuring van deze afwijkende bedingen ex artikel 7:291 BW Pro. Hierbij wordt getoetst of de rechten van de huurder wezenlijk worden aangetast. Gezien de nauwe verwevenheid van de franchise- en huurovereenkomst en de omstandigheden dat de huurder geen andere exploitatiemogelijkheden heeft, oordeelt de rechter dat er geen wezenlijke aantasting is.

Ook speelt mee dat er een hoofdhuurovereenkomst bestaat en dat er aanvullende regelingen zijn getroffen voor het geval de franchiseovereenkomst eindigt, zoals een overdrachtsregeling en een koopoptie. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De beschikking wordt uitgesproken door kantonrechter L.J. van Die.

Uitkomst: De kantonrechter verleent goedkeuring aan de afwijkende huurbedingen gekoppeld aan de franchiseovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6472536 VZ VERZ 17-28014
uitspraak: 2 februari 2018
beschikking ex artikel 7:291 Burgerlijk Pro Wetboek van de kantonrechter,
zittinghoudende te Rotterdam
in de zaak van
de besloten vennootschap
Verhage Franchise B.V.,
gevestigd te Zwijndrecht,
gemachtigde: mr. M. Munnik,
verzoekster,
en
de vennootschap onder firma [VOF 1]tevens handelend onder de naam
Verhage,
zaakdoende te [plaatsnaam],
alsmede haar vennoten
[A.]en mevrouw
[B.],
beiden wonende te [plaatsnaam],
gemachtigde: mr. M. Munnik,
medeverzoekster.
Partijen zullen worden aangeduid als “Verhage” respectievelijk [VOF ]”.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Op 16 november 2017 hebben partijen een verzoekschrift als bedoeld in artikel 7:291
lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ingediend.
1.2
De kantonrechter heeft op grond van de inhoud van de stukken een mondelinge behandeling van het verzoek achterwege gelaten.
1.3
De kantonrechter heeft de uitspraak van de beschikking bepaald op heden.

2.Het verzoek

2.1
Partijen hebben een onderhuurovereenkomst gesloten voor de bedrijfsruimte aan de [straat-en plaatsnaam].
2.2
De huurovereenkomst tussen partijen is ingegaan op 1 september 2017 en eindigt op
31 augustus 2025.
2.3
Tussen partijen is eveneens een franchiseovereenkomst gesloten met eenzelfde looptijd.
2.4
In de huurovereenkomst zijn de volgende bedingen opgenomen:

Artikel 1.5
Partijen erkennen hierbij uitdrukkelijk dat het beëindigen van de exploitatie van de Verhage- franchisevestiging door Onderhuurder, zal worden beschouwd als een verandering van bestemming, die de beëindiging van deze overeenkomst noodzakelijkerwijze met zich meebrengt.
Artikel 3.1
De huurovereenkomst wordt aangegaan voor de duur van acht (8) jaar, ingaande per 1 september 2017 en lopende tot en met 31 augustus 2025.
Artikel 3.4
Partijen stellen vast dat deze overeenkomst integraal onderdeel uitmaakt van de franchiseovereenkomst. Beide overeenkomsten vormen één onlosmakelijk
geheel. Partijen stellen eveneens vast dat onderverhuurder uitsluitend bereid is het gehuurde aan onderhuurder te verhuren voor zolang de franchiseovereenkomst van kracht is.
Artikel 3.5
Indien Onderhuurder in gebreke is in zake de nakoming van de Franchiseovereenkomst, wordt dit tevens aangemerkt als een in gebreke zijn uit
hoofde van deze overeenkomst.
Artikel 3.6
Partijen komen hierbij expliciet overeen dat in geval van (tussentijdse)
beëindiging van de franchiseovereenkomst deze overeenkomst op dezelfde
datum een einde neemt, onafhankelijk van de oorzaak van het einde van de
franchiseovereenkomst en zonder dat daarvoor een separate opzegging nodig is.
Artikel 3.7
Onverminderd het hiervoor bepaalde, eindigt deze overeenkomst zonder dat daartoe opzegging vereist is op het moment dat de Hoofdhuurovereenkomst eindigt.”

3.De beoordeling

3.1
Uitgangspunt is dat van de wettelijke bepalingen van de vierde titel van boek 7, waarvan de zesde afdeling gewijd is aan huur van bedrijfsruimte, niet ten nadele van de huurder kan worden afgeweken, behoudens goedkeuring door de rechter (artikel 7:291 BW Pro).
Ingevolge het derde lid van artikel 7:291 BW Pro wordt die goedkeuring alleen gegeven als de wettelijke rechten van de huurder van bedrijfsruimte door de afwijking niet wezenlijk worden aangetast, of als de maatschappelijke positie van de huurder zodanig is dat hij de wettelijke bescherming niet nodig heeft.
3.2
[VOF ] onderneemt op grond van een franchiseovereenkomst. Deze overeenkomst kan buiten rechte tot een einde komen. In dat geval heeft [VOF ] er belang bij dat ook de huurovereenkomst tot een einde komt. Op grond van de bepalingen in de franchiseovereenkomst en de huurovereenkomst is [VOF ] immers niet gerechtigd om in geval van beëindiging van de franchiseovereenkomst in het gehuurde een andere onderneming dan een Verhage franchisevestiging te voeren. Andere exploitatiemogelijkheden zijn niet aanwezig. In die omstandigheid heeft [VOF ] er belang bij dat de huurovereenkomst voor de alsdan voor hem niet te exploiteren zaak, met alle verplichtingen van dien, niet voortduurt. Door partijen is voorts aangevoerd dat de wens om af te wijken gelegen is in het feit dat er tussen partijen ook sprake is van een hoofdhuurovereenkomst en de wens bestaat om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de looptijd en beëindigingsmogelijkheden van die overeenkomst. Ook is er bij een eventueel einde van de franchiseovereenkomst een overdrachtsregeling opgenomen en een koopoptieregeling om de onderneming met inbegrip van opstal te verkopen. Daarnaast ontvangt [VOF ] in dat geval een bedrag van € 12.500,- naast de koopprijs en is een regeling opgenomen om voorraad terug te kopen tegen inkoopprijs.
3.3
Gelet op deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van een wezenlijke aantasting van de rechten van [VOF ].
3.4
Nu de onderhavige procedure voortvloeit uit een gemeenschappelijk verzoek, zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.Beslissing

De kantonrechter:
verleent goedkeuring aan de onder 2.4 geciteerde, van afdeling 6 titel 4 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek afwijkende, bedingen;
compenseert de proceskosten als boven aangegeven.
Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. L.J. van Die en uitgesproken op de openbare terechtzitting.
527