De rechtbank Rotterdam heeft op 15 februari 2018 uitspraak gedaan over het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van schuldenares. De bewindvoerder had dit verzoek ingediend vanwege het niet nakomen van verplichtingen door schuldenares, waaronder het niet melden van inkomsten uit een fulltime dienstverband en het ontstaan van aanzienlijke nieuwe schulden.
Tijdens de procedure bleek dat schuldenares kampt met ernstige psychische klachten en een gokverslaving, waardoor zij haar verplichtingen niet volledig kon nakomen. De voormalige beschermingsbewindvoerder had onvoldoende toezicht gehouden, waardoor schuldenares haar salaris op een leefgeldrekening kon ontvangen en daardoor nieuwe schulden ontstonden. De nieuwe beschermingsbewindvoerder heeft sindsdien de situatie proberen te stabiliseren.
De rechtbank oordeelde dat de tekortkomingen van schuldenares niet verwijtbaar zijn vanwege haar problematiek en het falen van het beschermingsbewind. De nieuwe schulden aan het UWV zijn echter niet binnen de looptijd van de regeling aflosbaar, ook niet bij een maximale verlenging. Daarom wordt de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd op grond van artikel 350, derde lid, onder d, Faillissementswet.
De rechtbank stelt vast dat schuldenares na een adempauze van twee jaar, waarin haar situatie kan stabiliseren, opnieuw een verzoek tot schuldsanering kan indienen. Tevens wordt het salaris van de bewindvoerder vastgesteld op maximaal € 2.349,79. Er zijn geen baten om schuldeisers te voldoen, waardoor geen faillissement van rechtswege ontstaat.