De eiser was sinds 1981 lid van de schietsportvereniging en werd op 11 mei 2015 ontzet uit het lidmaatschap vanwege een incident met verbaal wangedrag en een bedreiging met een schietwapen. Het bestuur stelde dat het gedrag de veiligheid van leden in gevaar bracht en dat de eiser ook zijn contributie niet tijdig had voldaan. De beroepscommissie van de vereniging stelde het besluit tot royement in stand.
De eiser vorderde vernietiging van het royementsbesluit op grond van strijd met de redelijkheid en billijkheid, stellende dat het incident op zichzelf stond en onvoldoende grond gaf voor ontzetting, mede gezien de verstrekkende gevolgen voor zijn lidmaatschap en uitoefening van de schietsport.
De rechtbank oordeelde dat het bestuur en de beroepscommissie in redelijkheid tot het besluit konden komen, gelet op het ernstige gedrag, de herhaalde waarschuwingen en het maatschappelijke risico dat het gedrag van de eiser vormde. Ook de combinatie van het incident met het rijden onder invloed na de comparitie versterkte dit oordeel.
De vordering tot vernietiging werd afgewezen en de eiser werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de vereniging. Het besluit tot royement werd daarmee bevestigd.