De rechtbank Rotterdam behandelde op 5 januari 2018 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het bezit van een vuurwapen en munitie in zijn woning. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 12 dagen, met aftrek van voorarrest, maar erkende onvoldoende bewijs voor het wapen zelf en vroeg vrijspraak voor dat onderdeel.
Tijdens de zitting gaf verdachte aan dat een medeverdachte soms in de betreffende kamer sliep en daar de munitie had achtergelaten. De rechtbank vond deze verklaring geloofwaardig en oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om te concluderen dat verdachte wist van de munitie in zijn huis. De verklaring van de medeverdachte dat hij eigenlijk nooit bij verdachte thuis was geweest, werd onvoldoende geacht om dit te weerleggen.
De rechtbank sprak verdachte vrij van het ten laste gelegde bezit van munitie omdat niet wettig en overtuigend was bewezen dat verdachte wetenschap had van de munitie. Het vonnis werd gewezen door drie rechters en uitgesproken op de openbare terechtzitting.