De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen een minderjarige verdachte die werd beschuldigd van poging tot doodslag en schuldheling. Het eerste tenlastegelegde feit, poging tot doodslag op een persoon in september 2016, werd niet wettig en overtuigend bewezen verklaard, waarna de verdachte daarvan werd vrijgesproken.
Het tweede tenlastegelegde feit betrof schuldheling van een rugtas met inhoud, gepleegd in februari 2017. Dit feit werd door de verdachte bekend en zonder verweer bewezen verklaard. De rechtbank concludeerde dat het strafbare feit was begaan en dat de verdachte strafbaar was.
De officier van justitie eiste een taakstraf of vervangende jeugddetentie, maar de rechtbank besloot op grond van artikel 9a Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel op te leggen. Dit vanwege de lange tijd die sinds het feit was verstreken, de beperkingen waaronder de verdachte al had geleefd, en de beperkte ernst van het feit.
De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding, omdat de verdachte was vrijgesproken van het eerste feit en de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kon worden ingediend. De rechtbank veroordeelde de benadeelde partij in de kosten van de verdediging, welke nihil werden begroot.
Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 20 februari 2018.