ECLI:NL:RBROT:2018:1961

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 februari 2018
Publicatiedatum
12 maart 2018
Zaaknummer
C/10/538767 / FT EA 17/2262
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FaillissementswetArt. 285 Faillissementswet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende nakoming

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wegens een schuldenlast van ruim €458.000, grotendeels bestaande uit omzetbelastingschulden en een geldboete wegens witwassen. De rechtbank toetst of verzoeker te goeder trouw is geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek en of hij zijn verplichtingen uit de regeling zal nakomen.

De rechtbank stelt vast dat de omzetbelastingschulden grotendeels zijn ontstaan in de periode 2012-2015, terwijl verzoeker verklaarde niet te begrijpen hoe deze schulden zijn ontstaan, mede omdat zijn onderneming meerdere malen is uitgeschreven en ingeschreven in het handelsregister. Nadere informatie over het ontstaan van de schulden is niet verstrekt, waardoor de rechtbank uitgaat van de juistheid van de Belastingdienstgegevens en concludeert dat verzoeker niet te goeder trouw is geweest.

Daarnaast is er een schuld aan het CJIB van €3.000,- wegens een geldboete voor witwassen, die niet is omgezet in een werkstraf zoals door verzoeker gesteld. De rechtbank acht deze schuld eveneens te kwader trouw ontstaan. Verder beheerst verzoeker de Nederlandse taal matig, wat de nakoming van de inspanningsverplichting uit de regeling bemoeilijkt. Ondanks beschermingsbewind en toezegging tot het volgen van een taalcursus is onvoldoende gebleken dat verzoeker zijn verplichtingen zal nakomen.

Gelet op deze omstandigheden en het ontbreken van feiten die toelating tot de regeling rechtvaardigen, wijst de rechtbank het verzoek af.

Uitkomst: Verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende nakoming van verplichtingen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 22 februari 2018
[naam 1],
v.h.o.d.n. [naam 2]
en
V.O.F. [naam 3]
[adres]
[woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 8 november 2017 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van 15 december 2017.

2.De feiten

Verzoeker ontvangt inkomsten uit een Wwb-uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet Pro € 458.110,40.

3.De beoordeling

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Volgens een overzicht van de Belastingdienst van 16 mei 2017 heeft verzoeker een schuld aan de Belastingdienst van € 209.282,-, waarvan € 208.760,- in de vijf jaar voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift is ontstaan. Volgens het overzicht betreft het vooral verschuldigde omzetbelasting, ontstaan in de periode 2012 tot en met 2015. Verzoeker heeft ter zitting verklaard niet te begrijpen hoe die schulden zijn ontstaan, omdat hij toen niet werkte en zijn ondernemingen al waren uitgeschreven uit het handelsregister. De beschermingsbewindvoerder heeft verklaard dat de boekhouding ontbreekt en dat het mogelijk is dat er een fout is gemaakt bij de belastingdienst. De rechtbank heeft verzoeker daarop in de gelegenheid gesteld om, met behulp van zijn beschermingsbewindvoerder, uit te zoeken hoe het kan dat er omzetschulden zijn. De beschermingsbewindvoerder heeft de rechtbank per brief van 9 februari 2018 bericht dat de onderneming van verzoeker, [naam 2] , op 19 december 2011 weliswaar is uitgeschreven uit het handelsregister, maar dat deze op 20 december 2011 weer is ingeschreven en vervolgens op 25 augustus 2015 opnieuw is uitgeschreven. Nadere informatie omtrent (het ontstaan en onbetaald laten van) de omzetbelastingschulden is niet verstrekt. Nu het tegendeel niet, althans onvoldoende is gebleken, gaat de rechtbank uit van de juistheid van het overzicht van de Belastingdienst van 16 mei 2017 en stelt zij vast dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat (in elk geval de) omzetbelastingschulden te goeder trouw zijn ontstaan althans onbetaald gelaten.
Verzoeker heeft daarnaast een schuld bij het CJIB van € 3.000,-. . Deze schuld heeft volgens het overzicht van het CJIB van 27 november 2017 betrekking op een geldboete die aan verzoeker is opgelegd naar aanleiding van een strafbaar feit gepleegd op 1 maart 2015. Tevens volgt uit het overzicht van het CJIB dat aan verzoeker een taakstraf is opgelegd van 20 uur. Ter terechtzitting heeft verzoeker verklaard dat de geldboete verband houdt met het feit dat hij is aangehouden met een contant geldbedrag van circa € 35.000,-. Verzoeker heeft voorts verklaard dat de geldboete is omgezet in een werkstraf, die hij in januari 2018 zou uitvoeren. De rechtbank heeft verzoeker in de gelegenheid gesteld om het vonnis dat op de strafzaak betrekking heeft over te leggen alsmede stukken ter onderbouwing van zijn stelling dat de geldboete is omgezet in een werkstraf.
Per brief van 9 februari 2018 heeft de beschermingsbewindvoerder een kennisgeving van het ressortspakket van 23 oktober 2017 overgelegd waaruit blijkt dat verzoeker op 4 oktober 2017 is veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur, te vervangen door 20 dagen hechtenis, waarvan 20 uur voorwaardelijk, wegens witwassen gepleegd op 1 maart 2015. Voorts heeft de beschermingsbewindvoerder een oproep van de reclassering van 13 december 2017 overgelegd waaruit blijkt dat verzoeker zich op 17 januari 2018 moest melden voor het uitvoeren van de werkstraf. Een onderbouwing van de stelling van verzoeker dat de op het overzicht van het CJIB opgenomen geldboete van € 3.000 is omgezet in een taakstraf, ontbreekt. De rechtbank gaat derhalve uit van de juistheid van dat overzicht. De schuld inzake de geldboete is naar zijn aard te kwader trouw ontstaan.
Voormelde schulden staan, onder meer gelet op de aard en de gezamenlijke hoogte daarvan in relatie tot de totale schuldenlast, een toelating in de weg.
Daar komt nog het volgende bij.
Ter zitting is gebleken dat verzoeker de Nederlandse taal matig beheerst en dat daarom de verwachting gerechtvaardigd is dat hij de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling niet naar behoren zal kunnen nakomen, meer in het bijzonder de verplichting om zich in te spannen zoveel mogelijk baten voor de boedel verwerven (de inspanningsverplichting). Ter terechtzitting heeft verzoeker verklaard dat hij een taalcursus zal gaan volgen. De rechtbank heeft verzoeker daarom verzocht om de rechtbank te laten weten wanneer verzoeker deze taalcursus gaat volgen en of, en zo ja hoe lang, dit in de weg staat aan het nakomen van de inspanningsverplichting. De beschermingsbewindvoerder heeft de rechtbank per brief van 9 februari 2018 bericht dat verzoeker hieromtrent geen nadere informatie heeft aangeleverd. Naar het oordeel van de rechtbank moet daarom gevreesd worden dat verzoeker de inspanningsverplichting niet naar behoren zal kunnen nakomen. Bovendien moet gevreesd worden dat hij ook de informatieverplichting niet naar behoren zal nakomen nu hij zijn beschermingsbewindvoerder kennelijk niet van de benodigde informatie heeft voorzien.
Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden. De enkele omstandigheid dat verzoeker thans onder beschermingsbewind staat is daartoe, mede gelet op de aard en de ernst van de schulden die niet te goeder trouw zijn ontstaan en het feit dat ook met behulp van de beschermingsbewindvoerder niet voldoende duidelijkheid is verstrekt met betrekking tot het ontstaan dan wel onbetaald laten van die schulden en de taalcursus, onvoldoende.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.

4.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout, rechter, en in aanwezigheid van A. Meijer, griffier, in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2018. [1]