ECLI:NL:RBROT:2018:2619
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging schuldsaneringsregeling wegens niet-nakoming verplichtingen
De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van schuldenaar, waarbij de rechter-commissaris eerder had ingestemd met dit verzoek. De bewindvoerder had geconstateerd dat schuldenaar onvoldoende medewerking verleende, waaronder het niet aanleveren van essentiële documenten en het niet afdragen van inkomsten aan de boedelrekening. Tevens was een nieuwe schuld ontstaan.
Tijdens de zitting gaf schuldenaar aan dat psychische problemen en de problematiek van zijn huisgenoot de oorzaak waren van zijn tekortkomingen, maar hij had recentelijk een baan gevonden. De rechtbank gaf schuldenaar de gelegenheid hulp te zoeken en afspraken na te komen, maar hij voldeed hier niet aan. De bewindvoerder handhaafde haar verzoek tot beëindiging.
De rechtbank oordeelde dat schuldenaar toerekenbaar tekort was geschoten in zijn verplichtingen, waaronder het niet aantonen van aanvragen voor maatschappelijk werk en beschermingsbewind, en het niet afdragen van bedragen aan de boedelrekening, met een geschatte achterstand van €13.000. De regeling werd daarom beëindigd op grond van artikel 350, derde lid, onder c en d, van de Faillissementswet.
Daarnaast stelde de rechtbank het salaris van de bewindvoerder vast en constateerde dat er geen baten zijn om vorderingen te voldoen, waardoor geen sprake is van faillissement van rechtswege na kracht van gewijsde van dit vonnis.
Uitkomst: De rechtbank beëindigt de schuldsaneringsregeling wegens niet-nakoming van verplichtingen en stelt het salaris van de bewindvoerder vast.