Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Het procesverloop en de processtukken
- de aantekening mondeling vonnis dd. 11 juli 2017 in de hiervoor omschreven strafzaken;
- de brief van de griffier aan de gevolmachtigde van verzoeker, gedateerd 8 december 2017.
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. M.C. Franken, senior rechter in de rechtbank Rotterdam, team straf 1. Het verzoek tot wraking werd ingediend op 5 december 2017, nadat de rechter op 11 juli 2017 een eindvonnis had gewezen in de strafzaken tegen verzoeker. Omdat de rechter de zaak op het moment van het wrakingsverzoek niet meer behandelde, oordeelde de rechtbank dat het doel van wraking – het waarborgen van onpartijdigheid tijdens de behandeling – niet meer bereikt kon worden.
De rechtbank baseerde haar oordeel op artikel 512 Sv Pro, dat bepaalt dat een rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt. Na een einduitspraak is de behandeling van de zaak echter beëindigd, waardoor wraking niet meer mogelijk is. Het verzoek werd daarom als kennelijk niet-ontvankelijk beoordeeld en afgewezen met toepassing van artikel 9.1 van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Rotterdam.
De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer voor wrakingszaken, waarbij mr. I.K. Rapmund de beslissing uitsprak in afwezigheid van de voorzitter en oudste rechter. Het vonnis bevestigt dat een wrakingsverzoek tijdig moet worden ingediend om ontvankelijk te zijn en dat een verzoek na een eindvonnis niet-ontvankelijk is.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek is afgewezen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid omdat het verzoek na het eindvonnis werd ingediend.