Verzoekers hebben een verzoek ingediend tot dwangakkoord op grond van artikel 287a Faillissementswet en een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). Het dwangakkoord betrof een schuldregeling met een uitkering van circa 1,86% aan preferente en 0,93% aan concurrente schuldeisers. Achtentwintig schuldeisers stemden in met de regeling, maar vier schuldeisers, waaronder ICMA en een eenmanszaak die vier auto's verhuurde, weigerden.
De rechtbank oordeelde dat de weigering van deze schuldeisers gegrond was, mede omdat verzoeker een huurcontract had ondertekend voor vier auto's waarvan drie waren verduisterd en doorverkocht, wat verzoeker niet had betwist. Hierdoor kon de schuldeiser in redelijkheid weigeren in te stemmen met het akkoord. De belangen van de weigeraars wogen zwaarder dan die van verzoekers en overige schuldeisers.
De rechtbank wees het verzoek tot dwangakkoord af, maar liet het verzoek tot toepassing van de WSNP wel toe, waarmee verzoekers alsnog een schuldenvrije toekomst kunnen realiseren. Het financiële voordeel van het dwangakkoord was relatief gering ten opzichte van de totale schuldenlast.