De werknemer trad in juli 2014 in dienst bij GCN Trans B.V. en werd op 20 juli 2016 op staande voet ontslagen wegens vermeend vergiftigingspoging. De kantonrechter vernietigde dit ontslag in oktober 2017 wegens onvoldoende bewijs en veroordeelde GCN tot betaling van loon over de periode na het ontslag. Na vernietiging van het ontslag heeft de werknemer geen werkzaamheden meer verricht voor GCN.
De werknemer verzocht vervolgens om ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 30 april 2018 met toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding. Hij stelde dat de arbeidsrelatie door valse beschuldigingen zwaar was verstoord. GCN stemde in met ontbinding, maar betwistte de vergoeding wegens gebrek aan ernstig verwijtbaar handelen en onvoldoende onderbouwing.
De kantonrechter oordeelde dat het niet-rechtsgeldig ontslag op staande voet als ernstig verwijtbaar handelen geldt, waardoor toekenning van beide vergoedingen gerechtvaardigd is. De transitievergoeding van €2.800 werd toegewezen. Voor de billijke vergoeding werd rekening gehouden met het feit dat de werknemer na het ontslag heeft gewerkt en uitkeringen ontving, waardoor de gevorderde hoogte werd gematigd tot €8.000.
Daarnaast werd GCN opgedragen een eindafrekening van vakantiedagen op te maken. De kantonrechter stelde de werknemer in de gelegenheid het verzoek in te trekken en veroordeelde GCN tot betaling van proceskosten, met een tegenvordering bij intrekking door de werknemer.