De werknemer was in dienst bij Van der Linde Party Productions B.V. met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, waarin de geldende cao voor het horecabedrijf was opgenomen, hoewel er ten tijde van het aangaan geen cao van kracht was. Na opzegging door de werknemer per 1 augustus 2017 ontstond discussie over de einddatum en de betaling van loon, vakantiegeld, vakantie-uren en overuren.
De werknemer werkte in juli 2017 niet meer, maar stelde dat dit niet haar schuld was omdat zij niet werd ingeroosterd terwijl zij beschikbaar was. De werkgever voerde aan dat de werknemer niet beschikbaar was en dat verrekening met min-uren en ziekte-uitkeringen plaatsvond. De kantonrechter oordeelde dat de werknemer vanaf 26 juli tot 1 augustus 2017 recht had op loon omdat zij toen wel beschikbaar was, maar dat zij over de periode 1 tot 25 juli geen loon kon claimen omdat zij zonder overleg met vakantie ging en niet actief haar beschikbaarheid kenbaar maakte.
Verder verwierp de kantonrechter het beroep van de werkgever op verrekening van min-uren via het incorporatiebeding van de cao, omdat de cao niet van kracht was bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst en nawerking van een beëindigde cao niet mogelijk is. De vordering tot betaling van niet genoten vakantie-uren werd toegewezen, behalve voor de periode waarin geen loon werd betaald. De vordering tot betaling van overuren werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De wettelijke vertragingsverhoging werd gematigd tot 10%.