Uitspraak
VONNIS
[naam veroordeelde] ,
€ 64.151,68.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
De rechtbank Rotterdam behandelde op 15 maart 2018 een ontnemingsvordering in een hennepzaak. De veroordeelde was eerder veroordeeld voor het kweken en aanwezig hebben van hennepplanten in de periode van 23 juni tot 22 augustus 2016. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot een bedrag van €64.151,68, gebaseerd op de opbrengst van de hennepkwekerij.
Bij de ontmanteling van de kwekerij werden 710 hennepplanten aangetroffen die ongeveer 60 dagen oud waren. Het rapport stelde dat er mogelijk sprake was van een eerdere oogst, maar de rechtbank vond dit niet aannemelijk. De verdediging stelde dat de aanwijzingen voor een eerdere oogst ook konden zijn veroorzaakt door de bouw van de kwekerij of tweedehands apparatuur.
Daarnaast wees de rechtbank op de aangifte van de elektriciteitsdiefstal vanaf 23 juni 2016, wat duidt op een startdatum van de kwekerij rond die tijd. Er waren geen overtuigende aanwijzingen voor een eerdere oogst. Gezien de bewezen pleegperiode van 60 dagen achtte de rechtbank het niet aannemelijk dat er een volledige eerdere kweekcyclus had plaatsgevonden waaruit de veroordeelde voordeel had genoten.
Daarom wees de rechtbank de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Uitkomst: De rechtbank wijst de ontnemingsvordering af wegens onvoldoende bewijs van wederrechtelijk verkregen voordeel.