Verzoekster heeft op grond van artikel 287b Faillissementswet een voorlopige voorziening gevraagd om de tenuitvoerlegging van een vonnis tot ontruiming van haar huurwoning voor vier maanden op te schorten. Eerder was al een moratorium van twee maanden toegekend. Verweerder verzet zich tegen het verzoek, stellende dat verzoekster haar huurachterstanden niet heeft voldaan en het minnelijk traject niet is gestart.
De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege de dreigende ontruiming. Het belang van verzoekster om in de woning te blijven en het minnelijk traject te doorlopen weegt zwaarder dan het belang van verweerder bij uitvoering van het vonnis. De rechtbank acht aannemelijk dat de lopende huurtermijnen worden voldaan en dat verzoekster binnenkort onder beschermingsbewind wordt gesteld.
Hoewel verweerder stelt dat het minnelijk traject geen kans van slagen heeft en hij niet zal instemmen, staat dit niet aan toewijzing in de weg omdat verzoekster na een mislukking een verzoek dwangakkoord kan indienen. De voorziening wordt onder voorwaarden toegewezen voor vier maanden, met verlenging van de huurovereenkomst en de verplichting tot tijdige huurbetaling. Tevens wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw.