ECLI:NL:RBROT:2018:3634
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende bewijs
De rechtbank Rotterdam behandelde op 22 maart 2018 de vordering van de officier van justitie tot vaststelling en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter waarde van €1.652,07, inclusief vervolgprofijt. Deze vordering was gebaseerd op een eerdere veroordeling wegens schuldwitwassen van de veroordeelde in de periode van 1 januari 2010 tot en met 7 februari 2012.
In de hoofdzaak waren veroordeelde en medeveroordeelde integraal vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten van verduistering van gelden van werknemers. De verdediging voerde aan dat de vordering moest worden afgewezen omdat de vrijspraak onherroepelijk was en er geen feiten of omstandigheden waren die het voordeel uit andere strafbare feiten konden onderbouwen.
De rechtbank volgde deze redenering en oordeelde dat er geen sprake was van voordeel trekken uit crimineel vermogen, noch dat de veroordeelde betrokken was bij andere strafbare feiten dan die in de hoofdzaak. Daarom wees de rechtbank de vordering tot ontneming af.
De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam en uitgesproken op 22 maart 2018.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende bewijs.