ECLI:NL:RBROT:2018:3635
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens vrijspraak
De rechtbank Rotterdam behandelde op 22 maart 2018 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van € 83.595,39, inclusief vervolgprofijt. Deze vordering was gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en betrof voordeel uit strafbare feiten waarvoor de veroordeelde was veroordeeld, alsmede andere strafbare feiten.
De veroordeelde was eerder, bij vonnis van 25 juni 2015, veroordeeld wegens witwassen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 7 februari 2012. Echter, hij was vrijgesproken van de verduistering van gelden van werknemers, een strafbaar feit dat in deze procedure centraal stond. De verdediging voerde aan dat de ontnemingsvordering deze onherroepelijke vrijspraak miskent en dat geen bewijs bestaat voor verduistering of andere strafbare feiten die ontneming rechtvaardigen.
De rechtbank oordeelde dat de vrijspraak van verduistering betekent dat er geen feiten of omstandigheden zijn die het aannemelijk maken dat de veroordeelde gelden van werknemers wederrechtelijk heeft achtergehouden. Ook bleek niet dat hij betrokken was bij andere strafbare feiten die ontneming rechtvaardigen. Daarom wees de rechtbank de vordering tot ontneming af.
De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam en is op 22 maart 2018 uitgesproken.
Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is afgewezen wegens vrijspraak en onvoldoende bewijs.