De rechtbank Rotterdam heeft op 14 februari 2018 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het medeplegen van de verlengde invoer van ruim 477 kilo cocaïne. De rechtbank oordeelde dat het primair ten laste gelegde feit van invoer niet wettig en overtuigend bewezen kon worden, omdat onvoldoende vaststond dat verdachte wist of moest weten dat de container uit het buitenland kwam.
Wel werd bewezen verklaard dat verdachte samen met anderen op 20 december 2016 op een bedrijventerrein in Hellevoetsluis en Spijkenisse aanwezig was met ruim 477 kilo cocaïne, die zij uit een container haalden en in auto’s laadden. De rechtbank stelde vast dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het om drugs ging en dat er sprake was van nauwe samenwerking met anderen.
De straf werd bepaald op vijf jaar gevangenisstraf, waarbij rekening werd gehouden met de ernst van het feit, de omvang van de drugsvoorraad en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank wees het advies van de reclassering om een deels voorwaardelijke straf op te leggen af en rekende de tijd in voorlopige hechtenis in mindering.
De uitspraak benadrukt het belang van voldoende bewijs voor het aannemen van (verlengde) invoer en bevestigt dat het bezit van een grote hoeveelheid harddrugs, ook zonder bewezen invoer, zwaar wordt bestraft.