Op 15 maart 2017 werd in een woning te Rotterdam circa 1487,4 gram heroïne aangetroffen. Verdachte en een medeverdachte werden kort voor de doorzoeking aangehouden na observaties waarbij zij de woning met sleutels betraden en verlieten. De huurder van de woning herkende verdachte als de persoon aan wie hij de woning in gebruik had gegeven onder een valse naam. Uit langdurige observaties bleek dat verdachte en medeverdachte regelmatig de woning bezochten en de sleutels hadden.
De verdediging voerde aan dat niet bewezen kon worden dat verdachte wist van de heroïne en dat de hoeveelheid heroïne niet vaststond, maar de rechtbank oordeelde dat het Nederlands Forensisch Instituut had vastgesteld dat de aangetroffen hoeveelheid heroïne bevatte. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte medepleegde in het opzettelijk aanwezig hebben van heroïne.
De rechtbank nam de ernst van het feit, de omvang van de hoeveelheid drugs en de overlast voor de omgeving mee in de strafbepaling. Verdachte had een strafblad met een eerdere veroordeling voor een soortgelijk delict. Gezien deze omstandigheden werd een gevangenisstraf van 7 maanden opgelegd, met aftrek van voorarrest.
De rechtbank verklaarde bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit had begaan, sprak verdachte vrij van overige tenlasteleggingen en veroordeelde hem tot de gevangenisstraf. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht op de straf.