Verzoekster heeft een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, waarbij zij een betaling van 4,77% aan preferente en 2,38% aan concurrente schuldeisers tegen finale kwijting voorstelde. Van de 21 schuldeisers stemden 19 in met het voorstel, maar ING en KomKids, die samen 46,56% van de totale schuldenlast vertegenwoordigen, stemden niet in.
ING en KomKids voerden aan dat het aangeboden bedrag te laag is en niet in verhouding staat tot de totale schuldvordering. Zij betwijfelen of verzoekster haar maximale inspanning heeft geleverd om haar schulden af te lossen, mede gezien haar leeftijd en het ontbreken van bewijs van arbeidsongeschiktheid. Verzoekster heeft geen nieuwe schulden gemaakt sinds aanmelding bij schuldhulpverlening en haar vaste lasten worden door een beschermingsbewindvoerder voldaan.
De rechtbank stelt vast dat het belang van ING en KomKids bij hun weigering zwaar weegt gezien hun aandeel in de schuldenlast en de onvoldoende onderbouwing van verzoekster dat zij het maximaal haalbare heeft aangeboden. De rechtbank oordeelt dat het niet onredelijk is dat ING en KomKids niet akkoord zijn gegaan met het voorstel en wijst het verzoek tot dwangakkoord af.