Op 28 oktober 2017 sloeg de verdachte het slachtoffer meermalen met een hamer op het hoofd, hetgeen leidde tot een poging tot zware mishandeling. De rechtbank stelde vast dat het opzet gericht was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, maar niet op de dood van het slachtoffer. Het beroep van de verdachte op noodweer werd verworpen omdat hij, naar uiterlijke verschijningsvormen, deelnemer aan het gevecht was en daarmee mede-agressor.
De rechtbank nam het strafblad van de verdachte en een rapport van de reclassering mee in haar overwegingen. De verdachte heeft een verstandelijke beperking wat gedragsverandering bemoeilijkt, maar het recidiverisico werd als matig beoordeeld. Gezien de ernst van het feit en het feit dat het bij een poging bleef, werd een gevangenisstraf opgelegd gelijk aan de duur van het voorarrest, namelijk 141 dagen.
De benadeelde partij vorderde materiële en immateriële schadevergoeding, maar de rechtbank verklaarde deze vordering niet-ontvankelijk wegens onevenredige belasting van het strafproces. De benadeelde partij werd verwezen naar de burgerlijke rechter voor verdere afhandeling van de schadeclaim.
De rechtbank sprak verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit (poging tot doodslag) maar verklaarde het subsidiair ten laste gelegde feit (poging zware mishandeling) bewezen en veroordeelde hem tot een gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Het bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven en de verdachte werd veroordeeld in de proceskosten.