Eiseres betoogde dat de besluitvorming van verweerder, waarbij haar WW-uitkering werd aangepast na invoering van de WWZ, leidde tot een onevenredige inkomensdaling en daarmee in strijd was met het loondervings- en verzekeringsprincipe van de WW.
De rechtbank stelde vast dat onder de oude WW-systematiek meerdere rechten naast elkaar niet konden blijven bestaan bij werkhervatting en dat de nieuwe systematiek uitgaat van inkomen in plaats van uren. Verweerder had bovendien toegelicht dat eiseres onder de nieuwe systematiek een deel van haar inkomen mag houden als stimulans om te werken.
De rechtbank concludeerde dat eiseres onvoldoende had onderbouwd dat sprake was van een onaanvaardbare inkomensachteruitgang ten opzichte van de oude systematiek. Ook was het primaire besluit niet onjuist omdat lopende rechten waren voortgezet en nieuwe rechten waren toegekend.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 21 juni 2018.