Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2018:4937

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 juni 2018
Publicatiedatum
21 juni 2018
Zaaknummer
C/10/546032 / HA ZA 18-232
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:33 BWArt. 3:35 BWArt. 7:658 BWArt. 7:954 lid 6 BWArt. 208 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rectificatie onjuiste partij-aanduiding in civiele procedure tegen voormalig werkgever

In deze civiele procedure vordert eiseres rectificatie van een onjuiste partij-aanduiding in de dagvaarding, waarbij DHL Netherlands ten onrechte als gedaagde is genoemd in plaats van DHL e-Commerce, haar voormalig werkgever. De rechtbank beoordeelt of deze vergissing kan worden hersteld op grond van de artikelen 3:33 en 3:35 BW.

De rechtbank weegt mee dat beide partijen aan hetzelfde adres gevestigd zijn, dat AIG zich als verzekeraar van DHL Parcel heeft gemeld zonder onderscheid te maken tussen de entiteiten, en dat eiseres direct na het verweer de vergissing heeft gemeld. DHL Netherlands en AIG hebben hierdoor redelijkerwijs moeten begrijpen dat sprake was van een kennelijke vergissing.

De rechtbank oordeelt dat rectificatie niet leidt tot onredelijke benadeling of schade aan de verdediging van de wederpartij. De vordering tot rectificatie wordt daarom toegewezen en DHL e-Commerce wordt als gedaagde aangemerkt. De beslissing over proceskosten wordt aangehouden en de zaak wordt verwezen naar de rol voor verdere behandeling.

Uitkomst: De rechtbank wijst de rectificatie toe en merkt DHL e-Commerce aan als gedaagde in plaats van DHL Netherlands.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/546032 / HA ZA 18-232
Vonnis in incident van 20 juni 2018
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats] ,
eiseres in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. M. Karel te Capelle aan den IJssel,
tegen

1.[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. P.C.E. van den Hoek te Rotterdam,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DHL PARCEL (NETHERLANDS) B.V.,
gevestigd te Utrecht,
gedaagde,
verweerster in het incident,
advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam,
3. de vennootschap naar buitenlands recht
AIG EUROPE LIMITED,
gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,
h.o.d.n. AIG EUROPE NETHERLANDS,
kantoorhoudende te Capelle aan den IJssel,
gedaagde,
verweerster in het incident,
advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam.
Partijen worden hierna aangeduid als [eiseres] , [gedaagde] , DHL Netherlands en AIG.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding, met producties;
  • de conclusie van antwoord van de zijde van [gedaagde] , met producties;
  • de conclusie van antwoord (inhoudende een beroep op niet-ontvankelijkheid) van de zijde van DHL Netherlands en AIG, met producties;
  • de incidentele conclusie tot (primair) rectificatie, (subsidiair) oproeping van verzekerde (ex artikel 7:954 lid 6 BW Pro) van de zijde van [eiseres] , met producties;
  • de conclusie van antwoord in het incident van de zijde van DHL Netherlands en AIG.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De vordering in het incident

2.1.
[eiseres] vordert, verkort en zakelijk weergegeven, (primair) de partij-aanduiding DHL Parcel (Netherlands) B.V. te rectificeren in DHL Parcel (e-Commerce) B.V. (hierna: DHL e-Commerce), (subsidiair) een termijn te verlenen voor het alsnog tijdig oproepen van verzekerde DHL Parcel (e-Commerce) B.V.
2.2.
[eiseres] voert daartoe aan dat gebleken is dat in de inleidende dagvaarding bij vergissing de partij-aanduiding DHL Netherlands is vermeld in plaats van DHL e-Commerce. [eiseres] wenst deze vergissing (primair) bij incidentele vordering ex artikel 208 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) te rectificeren en zoekt daarvoor aansluiting bij het arrest van de Hoge Raad van 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4765. Subsidiair verzoekt [eiseres] de rechtbank haar in de gelegenheid te stellen alsnog DHL e-Commerce in het geding op te roepen ex artikel 7:954 lid 6 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.3.
Het verweer van DHL Netherlands en AIG strekt tot afwijzing van de incidentele vordering.
2.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.De beoordeling in het incident

3.1.
De vraag wie als gedaagde partij optreedt dient beantwoord te worden aan de hand van de artikelen 3:33 en 3:35 BW. Indien sprake is van een vergissing ten aanzien van de partij-aanduiding kan deze door middel van rectificatie worden hersteld wanneer het onder de gegeven omstandigheden voor de processuele wederpartij kenbaar was dat van een vergissing sprake was, de wederpartij door de vergissing en de rectificatie niet is benadeeld of in haar verdediging geschaad en de rectificatie tijdig heeft plaatsgevonden.
3.2.
Voor de beoordeling van de vraag of hier sprake is van een voor herstel vatbare vergissing, neemt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking:
- op 14 juni 2016 is DHL e-Commerce ex artikel 7:658 BW Pro als voormalig werkgever van [eiseres] (vgl. de arbeidsovereenkomst bij productie 1 bij inleidende dagvaarding) aansprakelijk gesteld voor de door [eiseres] geleden en nog te lijden letselschade als gevolg van de mishandeling tijdens de uitvoering van haar werkzaamheden (productie 4 bij inleidende dagvaarding);
- hierop heeft AIG zich als aansprakelijkheidsverzekeraar van DHL Parcel gemeld. In de betreffende e-mail (productie 5 bij inleidende dagvaarding) wordt geen melding gemaakt van ‘Netherlands’ of ‘e-Commerce’;
- zowel DHL Netherlands als DHL e-Commerce zijn gevestigd aan de Reactorweg 25 te Utrecht (productie 16 bij de incidentele conclusie tot (primair) rectificatie, (subsidiair) oproeping van verzekerde (ex artikel 7:954 lid 6 BW Pro);
- nadat DHL Netherlands en AIG zich bij conclusie van antwoord hebben beroepen op de niet-ontvankelijkheid van [eiseres] op grond van onjuiste partij-aanduiding, heeft [eiseres] bij de eerstvolgende gelegenheid aangegeven dat sprake is van een vergissing ten aanzien van de naamsduiding en verzocht om rectificatie.
3.3.
Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat DHL Netherlands en AIG hebben begrepen althans redelijkerwijs hadden moeten begrijpen dat de vermelding van de naam DHL Netherlands in plaats van DHL e-Commerce in de inleidende dagvaarding op een vergissing berustte. Er kan geen onduidelijkheid over bestaan dat [eiseres] haar voormalig werkgever in rechte heeft willen betrekken. Dat in de inleidende dagvaarding als gedaagde DHL Netherlands wordt genoemd in plaats van DHL e-Commerce betreft dan ook klaarblijkelijk een kennelijke vergissing.
3.4.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechtbank de vordering tot rectificatie zal toewijzen, in die zin dat in plaats van DHL Netherlands DHL e-Commerce als een van de gedaagden in deze procedure wordt aangemerkt. Het (processuele) belang van DHL e-Commerce en AIG wordt daardoor niet onredelijk geschaad. Zij hebben nog steeds de volle gelegenheid om hun standpunt(en) uiteen te zetten. Immers, een inhoudelijke conclusie van antwoord is nog niet genomen. Ook overigens is gesteld noch gebleken dat DHL e-Commerce en AIG enig nadeel ondervinden van dan wel in hun verdediging zijn geschaad door de vergissing en de rectificatie.
3.5.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden, waaronder begrepen de beslissing over de proceskosten van dit incident.

4.De beslissing

De rechtbank
in het incident
4.1.
merkt in plaats van DHL Netherlands DHL e-Commerce aan als een van de gedaagden in deze procedure
4.2.
houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan.
in de hoofdzaak
4.3.
verwijst de zaak naar de rol van 1 augustus 2018 voor conclusie van antwoord aan de zijde van DHL e-Commerce en AIG.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Koekebakker en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2018. [1]

Voetnoten

1.801/1582