ECLI:NL:RBROT:2018:4946

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 mei 2018
Publicatiedatum
21 juni 2018
Zaaknummer
C/10/540773 / HA ZA 17-1171
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:196 BWArt. 1:100 BWArt. 1:95 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging echtscheidingsconvenant wegens dwaling over woningwaarde

De rechtbank Rotterdam behandelde een geschil tussen ex-partners over de verdeling van de woning na echtscheiding, vastgelegd in een convenant van december 2014. De vrouw vorderde vernietiging van de verdeling op grond van dwaling over de waarde van de woning, waarbij zij meer dan een vierde deel werd benadeeld door toedeling van de overwaarde aan de man.

De man voerde aan dat de vrouw bewust afstand had gedaan van haar rechten uit overbedeling vanwege een natuurlijke verbintenis tot vergoeding van zijn investeringen in de woning. De rechtbank oordeelde dat een dergelijke morele verplichting niet objectief vaststaat en dat de vrouw niet ondubbelzinnig en duidelijk heeft verklaard afstand te doen van haar rechten, mede omdat zij niet kon overzien dat de woning na 1 januari 2017 zou worden verkocht.

Gelet hierop werd het vermoeden van dwaling aangenomen en de verdeling van de huwelijksgemeenschap vernietigd. Partijen kregen gelegenheid om nieuwe voorstellen voor verdeling in te dienen, waarna verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de verdeling van de woning wegens dwaling en stelt partijen in de gelegenheid een nieuwe verdeling voor te stellen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/540773 / HA ZA 17-1171
Vonnis van 30 mei 2018
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. E.M.F. Prickartz te Schiedam,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. A. Aksu te Rotterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding d.d. 29 november 2017, met producties;
  • de conclusie van antwoord, met productie;
  • de akte overlegging producties van de man;
  • het proces-verbaal van comparitie van partijen en het daarin opgenomen tussenvonnis d.d. 11 april 2018.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De achtergrond van dit geschil is – kort gezegd – gelegen in een conflict over de verdeling van de (gemeenschappelijke) woning aan de [adres] (hierna: de woning) van partijen, welke verdeling partijen op 3 december 2014 in een echtscheidingsconvenant zijn overeengekomen. Aan de orde is thans de vraag of op de voet van dwaling aan de zijde van de vrouw als bedoeld in artikel 3:196 BW Pro (dwaling omtrent de waarde waardoor benadeling van meer dan een vierde deel is ontstaan) de verdeling van de woning kan worden vernietigd in die zin dat na vernietiging een nieuwe verdeling van de uit de verkoop resulterende overwaarde dient te worden bepaald, en wel bij helfte op grond van artikel 1:100 BW Pro. In het kader van het verweer tegen de daarop gebaseerde vordering heeft de man zich er beroepen dat de vrouw afstand heeft gedaan van de eventuele overwaarde van de woning bij verkoop.
2.2.
Het beding in het echtscheidingsconvenant waarover tussen partijen geschil bestaat, luidt:

2.4 (…)
Wanneer na verkoop van de woning en na aflossing van de hypothecaire schuld nog een geldbedrag overblijft, wordt zonder verrekening aan de man toegedeeld omdat de man uit vermogen dat hij al vóór zijn huwelijk bezat, heeft geïnvesteerd in de verbouwing van de woning. De vrouw beschouwt dit als een verplichting van moraal en fatsoen.
2.3.
Tussen partijen is niet zozeer in geschil dat de vrouw door toedeling van de gehele overwaarde van de woning aan de man voor meer dan een vierde deel wordt benadeeld, nu sprake is van een overwaarde van circa € 60.000,- en verder – afgezien van de ASR-polis met een waarde van circa € 8.000,- – geen relevante andere boedelbestanddelen verdeeld behoeven worden. Er is derhalve voldaan aan het wettelijk vermoeden van artikel 3:196 lid 2 BW Pro en daarmee is de verdeling in beginsel met toepassing van art. 3:196 lid 1 BW Pro vernietigbaar.
2.4.
De man stelt echter dat de vrouw niet heeft gedwaald omtrent de waarde. Het convenant is gesloten tijdens mediation. De vrouw heeft willens en wetens afgezien van een vordering uit overbedeling ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis, namelijk vergoeding van de investering in (de verbouwing van) de woning uit het door de man voor het huwelijk opgebouwd vermogen, aldus de man.
2.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is onder omstandigheden denkbaar dat wordt afgezien van een vordering uit overbedeling ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis, bijvoorbeeld een natuurlijke verbintenis tot het verschaffen van woonruimte aan een ex partner. Een dergelijke verplichting van de vrouw jegens de man is in deze zaak gesteld noch gebleken. Het gaat hier kennelijk om een door de man gevoelde verplichting van de vrouw aan hem de waarde van door hem gefinancierde verbeteringen aan de woning te vergoeden, zonder dat op de voet van art. 1:95 BW Pro een daartoe strekkend vergoedingsrecht wordt vastgesteld. De vrouw heeft dit vervolgens aanvaard. Of inderdaad sprake is van een dringende verplichting van moraal en fatsoen op dit punt, dient echter naar objectieve maatstaven ten worden vastgesteld. Dit staat in zoverre niet ter vrije bepaling van partijen.
2.6.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt in het onderhavige geval uit de maatschappelijke opvattingen niet dat - zonder dat met toepassing van art. 1:95 BW Pro een vergoedingsrecht wordt vastgesteld - voor de vrouw een dringende verplichting van moraal en fatsoen bestaat af te zien van de overwaarde van de woning. Daarbij komt dat de vrouw in december 2014 toen zij het convenant afsloot niet kon overzien waar zij afstand van deed in het in het convenant genoemde geval dat woning – zoals thans het geval is – ná 1 januari 2017 in de markt zou worden verkocht. In zoverre is geen sprake van een ondubbelzinnige en voldoende duidelijke wilsverklaring op dit punt, zodat niet kan worden volgehouden dat de vrouw de verdeling “te haren bate of schade” heeft aanvaard in de zin van artikel 3:196 lid 4 BW Pro. Bij dit oordeel neemt de rechtbank nog in aanmerking dat de vrouw in convenant niet alleen afstand heeft gedaan van haar vordering uit overbedeling maar bovendien heeft afgezien van partneralimentatie en van pensioenverevening.
2.7.
De verdeling van de huwelijksgemeenschap zoals vastgesteld in het convenant zal worden vernietigd met toepassing van art. 3:196 lid 1 BW Pro. De rechtbank stelt partijen in de gelegenheid ieder een voorstel voor een nieuwe verdeling van de huwelijksgemeenschap over te leggen.
2.8.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
vernietigt de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap zoals vastgelegd in het convenant van december 2014;
3.2.
stelt partijen in de gelegenheid ieder bij akte een voorstel tot verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap in het geding te brengen;
3.3.
verwijst de zaak daartoe naar de rol van 13 juni 2018;
3.4.
Houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. van den Bergh en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2018.
2897/2504