ECLI:NL:RBROT:2018:5082

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 juni 2018
Publicatiedatum
26 juni 2018
Zaaknummer
ROT 17/6291
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 HwArt. 35 HwArt. 3.1.2 Verordening toegang woningmarktArt. 5:41 AwbArt. 5:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete opgelegd voor onttrekken woonruimte aan bestemming door hennepteelt

Eiser, eigenaar van een woning te Rotterdam, verhuurde deze sinds 2014 aan derden. Tijdens een inspectie in mei 2017 werd vastgesteld dat drie slaapkamers en de badkamer werden gebruikt voor hennepteelt, wat leidde tot een bestuurlijke boete van €4.000 wegens het zonder onttrekkingsvergunning onttrekken van woonruimte aan de bestemming.

Eiser voerde aan niets van de hennepkwekerij te weten en als zorgvuldig verhuurder gehandeld te hebben, onder meer door het verzoek aan de politie voor een warmtecamera-inspectie en het vragen aan de VVE om verdachte situaties te melden. De rechtbank oordeelde echter dat eiser onvoldoende toezicht hield, met name doordat hij in 2017 geen controle uitoefende en het verzoek aan de VVE niet als concreet toezicht kan worden beschouwd.

De rechtbank stelde vast dat eiser als professionele verhuurder verantwoordelijk is voor het gebruik van zijn pand en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet wist of kon weten van de hennepteelt. De opgelegde boete werd als evenredig beoordeeld en het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de opgelegde bestuurlijke boete van €4.000 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1
zaaknummer: ROT 17/6291

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 juni 2018 in de zaak tussen

[naam eiser] , te Asperen, eiser,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,
gemachtigde: mr. C.W. de Jong.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder een bestuurlijke boete opgelegd van € 4.000,-, omdat eiser zonder een onttrekkingsvergunning woonruimte aan de bestemming tot woonruimte heeft onttrokken ten behoeve van hennepteelt.
Bij besluit van 27 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2018. Eiser is verschenen, vergezeld van zijn echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is onder meer eigenaar van een woning gelegen aan de [adres] te Rotterdam (de woning). Hij heeft de woning met ingang van 1 januari 2014 verhuurd aan [naam huurder 1] en [naam huurder 2] . Op 10 mei 2017 is tijdens een inspectie van de woning gebleken dat drie slaapkamers en de badkamer in gebruik waren ten behoeve van hennepteelt. Hiervan is een rapport van bevindingen opgemaakt. Uit de onderliggende stukken blijkt dat de hennepkwekerij zich sinds medio oktober 2016 in de woning bevond. Eiser is op de hoogte gebracht van het voornemen van verweerder om hem een bestuurlijke boete op te leggen en hij is in de gelegenheid gesteld om daarop zijn zienswijze te geven. Eiser heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen.
2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit, onder overneming van het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie, ten grondslag gelegd dat vast staat dat een hennepkwekerij is aangetroffen in de woning. Uit de stukken volgt dat een (groot) gedeelte van de woning, waaronder in ieder geval drie slaapkamers en de douche zijn onttrokken aan normaal gebruik. Er is dan ook sprake van het zonder onttrekkingsvergunning aan de bestemming tot woonruimte onttrekken, waardoor die woonruimte niet langer geschikt is voor bewoning door een huishouden van dezelfde omvang als waarvoor deze zonder onttrekking geschikt is. Eiser heeft niet met concrete gegevens aannemelijk gemaakt dat hij niet wist en niet heeft kunnen weten dat de woning als hennepkwekerij werd gebruikt. Als eigenaar van het pand blijft eiser verantwoordelijk voor de manier waarop dit wordt gebruikt. Deze verantwoordelijkheid uit zich onder andere in het voeren van een sluitende administratie en geïnformeerd zijn over de wijze van gebruik van het pand. Eiser heeft niet volgens de richtlijn ‘goed verhuurderschap’ van de gemeente Rotterdam verhuurd. Ook heeft eiser in het jaar 2017 geen toezicht gehouden. Eiser is hierdoor aan te merken als overtreder. De opgelegde boete is evenredig en van omstandigheden op grond waarvan de boete gematigd dient te worden is verweerder niet gebleken.
3. Eiser stelt zich, samengevat weergegeven, op het standpunt dat aan hem onterecht een boete is opgelegd. Eiser wist niets van de wietplantage en heeft gehandeld als een zorgvuldig verhuurder. De woning is verhuurd aan huurders die zelfstandigen waren, waardoor zij geen loonstrook konden tonen. Wel zijn twee maanden borg betaald en is een kopie van hun paspoort overgelegd. Eiser heeft gedurende drie jaar de woning zonder problemen verhuurd. Eiser is zorgvuldig en oplettend. In 2015 heeft hij de politie verzocht om de woning te controleren met een warmtecamera. Ook heeft eiser in 2016 alle leden van de Vereniging van Eigenaren (VVE) per e-mail gevraagd om verdachte situaties aan hem te melden, omdat de nieuw afgesloten verzekering niets vergoed bij schade door wiet. Daarnaast stelt eiser dat hij regelmatig bij de woning is gaan kijken en dat hij de woning ook heeft opgeknapt en onderhouden.
4.1.
Artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 (Hw), bepaalt dat het verboden is om een woonruimte, behorend tot een met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening aangewezen categorie gebouwen en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen wijk, zonder vergunning van burgemeester en wethouders anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar aan de bestemming tot bewoning te onttrekken.
Artikel 35, eerste lid, van de Hw bepaalt onder meer dat de gemeenteraad in de huisvestingsverordening kan bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter zake van de overtreding van de verboden bedoeld in artikel 21. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat de gemeenteraad in de huisvestingsverordening het bedrag vaststelt van de bestuurlijke boete die voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd.
4.2.
Ter uitvoering van artikel 35 Hw Pro is de Verordening toegang woningmarkt en samenstelling woningvoorraad 2017 (Verordening) opgesteld.
Op basis van artikel 3.1.2, eerste lid, van de Verordening is het verboden woonruimte in de gemeente Rotterdam zonder een onttrekkingsvergunning, anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar, aan de bestemming tot bewoning te onttrekken.
Op grond van tabel 2 van bijlage 5 bij de Verordening bedraagt een boete bij het onvergund onttrekken van woonruimte vanuit een bedrijfsmatige exploitatie bij een eerste overtreding € 4.000,-.
4.3.
Artikel 5:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete oplegt voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.
Artikel 5:46, derde lid, van de Awb bepaalt dat indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete oplegt indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
5. Niet in geschil is dat in de woning een hennepplantage is aangetroffen. Uit het onder 1. genoemde rapport blijkt dat in de vierkamerwoning drie slaapkamers en de douche in gebruik waren ten behoeve van de hennepteelt. De rechtbank stelt vast dat hierdoor een groot gedeelte van de woning niet langer geschikt was voor bewoning, waardoor de woning was onttrokken aan de bestemming tot woonruimte zonder dat eiser beschikte over een onttrekkingsvergunning. Hiermee is sprake van overtreding van het verbod van artikel 21, aanhef en onder a, van de Hw en van artikel 3.1.2, eerste lid, van de Verordening.
6.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 4 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:288), is de overtreder degene die het desbetreffende wettelijke voorschrift daadwerkelijk heeft geschonden. Dat is in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek heeft verricht. Daarnaast kan degene die de overtreding niet zelf feitelijk heeft begaan, maar aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en dus als overtreder worden aangemerkt. Van eiser mag worden gevergd dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik van de verhuurde woning. Om niet verantwoordelijk te kunnen worden gehouden voor onrechtmatig gebruik van het door hem verhuurde pand dient de eigenaar aannemelijk te maken dat hij niet wist en niet kon weten dat zich in de woning een wietplantage bevond.
6.2.
Verweerder heeft eiser de overtreding verweten in zijn hoedanigheid als verhuurder van de woning. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser als verhuurder van de woning onvoldoende concreet toezicht heeft gehouden op het gebruik van de woning. Uit de stukken blijkt dat eiser in 2014 voor het laatst in de woning is geweest, in verband met het verhelpen van een lekkage. In 2015 krijgt eiser argwaan, omdat het slot van de woning is vervangen en de huurder langere tijd in Rusland verblijft. Hierop vraagt eiser per e-mail aan de politie of de woning door middel van een warmtecamera kan worden gescand. Dat de politie hieraan geen gevolg heeft gegeven, komt voor rekening en risico van eiser. Hierbij is van belang dat eiser primair verantwoordelijk is voor het houden van toezicht op de woning. Na zijn verzoek aan de politie heeft eiser niet het toezicht op de woning voortgezet. In 2017 heeft hij de woning in het geheel niet gecontroleerd, ondanks zijn argwaan. Het in 2016 per e-mail gedane verzoek aan de leden van de VVE om verdachte situaties aan eiser te melden kan niet worden gezien als een door eiser uitgeoefende vorm van concreet toezicht. Aan eiser mogen als professionele verhuurder van, zoals ter zitting verklaard, 28 woningen strengere eisen worden gesteld met betrekking tot het houden van toezicht op het gebruik van de woning dan aan een particuliere verhuurder. Uit het voorgaande volgt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet wist of niet kon weten dat de woning als hennepkwekerij werd gebruikt, zodat verweerder hem terecht als overtreder heeft aangemerkt.
7. In hetgeen eiser heeft aangevoerd is geen grond gelegen om aan te nemen dat de overtreding hem niet kan worden verweten. Verweerder was dan ook bevoegd om eiser een boete op te leggen.
8. Met betrekking tot de hoogte van de boete is niet in geschil dat eiser, gelet op het aantal woningen dat hij verhuurt, als professioneel verhuurder kan worden aangemerkt. Verweerder heeft de hoogte van de boete dan ook vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij de Verordening, waarbij is uitgegaan van een eerste overtreding vanuit een bedrijfsmatige exploitatie. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om de boete te matigen.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzitter, en mr. A.M.J. Adriaansen en
mr. T. van den Akker, leden, in aanwezigheid van mr. A.E. van Oost, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2018.
De griffier is verhinderd voorzitter
de uitspraak te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.