Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[eiser] ,
1.De procedure
- de dagvaarding van 28 mei 2018, met producties;
- de producties van [gedaagde] ;
- de wijziging van eis;
- de aanvullende producties van [eisers] ;
- de mondelinge behandeling gehouden op 11 juni 2018;
- de pleitnota van [eisers] ;
- de pleitnota van [gedaagde] .
Tijdens de zitting van 21 maart 2018 heeft [gedaagde] bezwaar gemaakt tegen de indeplaatsstelling. (...) [gedaagde] heeft (...) aangegeven uit de VOF met [gedaagde] te zijn getreden en in het geheel niet meer bij de bakkerij betrokken te zijn. Feitelijk wil hij alleen huurder blijven om druk op [gedaagde] uit te oefenen. De kantonrechter acht dit onvoldoende. (...) Het is een terecht verzoek om na uittreding van de andere vennoot de feitelijke en juridische positie zoveel mogelijk met elkaar in overeenstemming te brengen. Het lijkt hier meer te gaan om een vorm van dwarszitten dan om een reëel eigen belang van [gedaagde] dat maakt dat hij huurder wil blijven.”