Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.Eis officier van justitie
- bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest.
Rechtbank Rotterdam
De rechtbank Rotterdam sprak verdachte vrij van de tenlastegelegde verkrachting en mishandeling omdat het bewijs niet wettig en overtuigend was. De aangeefster deed op 8 maart 2016 aangifte van ernstige mishandeling en verkrachting, waarbij zij letsel had dat deels overeenkwam met haar verklaring. De politie startte echter geen adequaat en tijdig onderzoek, waardoor belangrijke sporenonderzoeken en aanhoudingen uitbleven.
De politie informeerde de officier van justitie pas ruim drie weken later en hield de verdachte pas op 5 oktober 2016 aan. Het ontbreken van forensisch onderzoek in de woning en het uitblijven van direct handelen leidde tot hiaten in het dossier. De verklaring van de verdachte, dat de aangeefster de woning al eerder had verlaten, kon niet worden uitgesloten.
De rechtbank oordeelde dat het niet mogelijk was om buiten redelijke twijfel vast te stellen wat er tussen 1 en 8 maart 2016 precies was gebeurd. Het letsel kon ook in de periode zijn ontstaan dat de aangeefster volgens de verdachte niet meer in de woning verbleef. Hierdoor was het ten laste gelegde niet bewezen en werd verdachte vrijgesproken.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van verkrachting en mishandeling.