Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2018:5756

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 juli 2018
Publicatiedatum
17 juli 2018
Zaaknummer
ROT 17 / 4816
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:75 AwbArt. 3 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 2 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen belanghebbende bij ontheffing verkeersregels wegens te ruim statutaire doelstelling

Stichting Dierenradar heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de dijkgraaf en hoogheemraden van Schieland en de Krimpenerwaard, die ontheffing verleenden voor vier personenauto's om een weg te gebruiken die voor motorvoertuigen gesloten is. De rechtbank moest eerst beoordelen of eiseres belanghebbende was in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De statutaire doelstelling van Stichting Dierenradar is breed geformuleerd als bescherming van dieren en hun habitat in ruime zin, zowel nationaal als internationaal. Dit ruime doel is onvoldoende onderscheidend om te concluderen dat zij een rechtstreeks betrokken belang heeft bij het bestreden besluit. Hoewel eiseres aanvoerde zich ook in te zetten voor de bescherming van het gebied waarop de ontheffingen betrekking hebben, is dit niet in de statuten opgenomen en valt dit niet onder de bescherming van de habitat van dieren.

Verder stelde eiseres dat de Wegenverkeerswet 1994 milieubelangen beschermt, maar dit is niet relevant voor de vraag of zij belanghebbende is. De rechtbank overwoog dat het feitelijke belang van eiseres vooral betrekking heeft op jachtactiviteiten buiten de motorvoertuigen waarop de ontheffing betrekking heeft, en dat jacht niet door de ontheffing wordt geregeld.

Daarom is eiseres geen belanghebbende en is haar bezwaar ten onrechte ontvankelijk verklaard. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan eiseres vergoed.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belanghebbendheid.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1
zaaknummer: ROT 17/4816

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 juli 2018 in de zaak tussen

Stichting Dierenradar, te Stolwijk, eiseres,

en

de dijkgraaf en hoogheemraden van Schieland en de Krimpenerwaard, verweerder,

gemachtigden: mr. J.L. Gongriep en mr. G.A. Stoop.
Als belanghebbende heeft aan het geding deelgenomen:
[ontheffinghouder], ontheffinghouder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2016 (het primaire besluit), gewijzigd bij besluiten van 2 december en 7 december 2016, heeft verweerder voor vier personenauto’s ontheffing verleend van het bepaalde in artikel 62 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, voor zover het betreft de verkeerstekens op bord: C12, op de Korte Gouderakse Tiendweg te Gouderak.
Bij besluit van 29 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder, onder gedeeltelijke gegrondverklaring van het bezwaar, de motivering aangepast en de ontheffingen gehandhaafd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2018. Het beroep is gevoegd behandeld met de zaken met zaaknummers ROT 17/3933 en ROT 17/4561. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [voorzitter van eiseres] bijgestaan door
mr. M. van Duijn. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Tevens is [ontheffinghouder] verschenen.
Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst.

Overwegingen

1.1.
Met het gehandhaafde primaire besluit is voor vier personenauto’s ontheffing verleend van het verbod om gebruik te maken van een weg die voor alle motorvoertuigen gesloten is.
1.2.
Allereerst moet ambtshalve worden beoordeeld of eiseres belanghebbende is omdat slechts een belanghebbende beroep tegen een besluit beroep kan instellen bij de rechtbank.
1.3.
Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.
2.1.
Blijkens artikel 2, eerste lid, onder a, van haar statuten stelt eiseres zich, in de kern, ten doel de bescherming van dieren en/of hun habitat in de ruimste zin des woords, in zowel Nederland als in het buitenland. De overige in artikel 2, eerste lid, onder b tot en met g, het tweede lid en het derde lid onder a tot en met t genoemde taken en werkzaamheden zijn hieraan ondersteunend maar perken het doel niet in. Het statutaire doel van eiseres is daarmee dermate ruim geformuleerd dat dit onvoldoende onderscheidend werkt om te kunnen aannemen dat haar belang rechtstreeks is betrokken bij de door verweerder verleende ontheffingen. Ter zitting is door eiseres betoogd dat zij zich ook inzet voor de bescherming van de waarden van het gebied waarop de ontheffingen betrekking hebben. Deze doelstelling staat echter niet in de statuten omschreven en kan niet worden begrepen onder de bescherming van de habitat van dieren. Eiseres heeft verder betoogd dat uit artikel 2, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) volgt dat verweerder bij de besluitvorming rekening dient te houden met de gevolgen voor het milieu. Bij de beoordeling of eiseres belanghebbende is, is echter niet relevant of het belang van eiseres een belang is dat de Wvw 1994 beoogt te beschermen. Slechts van belang is of zij een belang heeft dat rechtstreeks wordt getroffen door het besluit waartegen bezwaar is gemaakt (uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3135). Verder overweegt de rechtbank dat het eiseres in feite is te doen om wat de ontheffinghoudster buiten de motorvoertuigen waarop de ontheffing betrekking heeft doet, namelijk jagen. De jacht wordt echter niet door de ontheffing gereguleerd en dus niet rechtstreeks door de ontheffing mogelijk gemaakt. Zelfs als het belang van eiseres al als voldoende onderscheidend zou worden aangemerkt, wordt dat niet rechtstreeks geraakt door de ontheffingverlening.
2.2.
Gelet op hetgeen onder 2.1 is overwogen is eiseres geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb.
3. Het voorgaande betekent dat verweerder eiseres ten onrechte heeft ontvangen in haar bezwaar. Het door eiseres ingestelde beroep dient om die reden gegrond te worden verklaard en het bestreden besluiten dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid neergelegd in artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb door zelf in de zaak te voorzien en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.
4. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
5. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De onderhavige zaak en de zaak met zaaknummer ROT 17/3933 moeten worden aangemerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Bij de uitspraak in die zaak is al een kostenvergoeding toegekend, zodat dit in de onderhavige zaak achterwege blijft.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- verklaart het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk en bepaalt
dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 333,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, voorzitter, en mr. A.C. Rop en
mr. C.L.G.F.H. Albers, leden, in aanwezigheid van mr. M.I. Hiemstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.