Art. 3 lid 1 WgbzArt. 3 lid 3 WgbzArt. 127a lid 2 RvArt. 127a lid 3 Rv
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toepassing hardheidsclausule bij niet tijdige betaling griffierecht voorkomt ontslag van instantie
In deze civiele zaak tussen Vereniging Buma en Revolt Evenementen B.V. stond de niet tijdige betaling van het griffierecht centraal. Buma had het griffierecht niet binnen de wettelijke termijn voldaan, doordat bij de betaling een onjuist betalingskenmerk was gebruikt. Dit leidde ertoe dat de griffie het bedrag niet tijdig kon verwerken.
De rechtbank stelde vast dat op grond van artikel 3 lid 1 vanPro de Wet griffierechten burgerlijke zaken iedere partij griffierecht verschuldigd is en dat dit binnen vier weken na de eerste roldatum moet zijn voldaan. Hoewel Buma het griffierecht op 17 april betaalde, was dit niet tijdig volgens de wettelijke termijn. De rechtbank gaf Buma de gelegenheid zich uit te laten over deze situatie en een beroep te doen op de hardheidsclausule.
De rechtbank oordeelde dat het niet tijdig voldoen van het griffierecht uitsluitend te wijten was aan een administratieve fout van de advocaat van Buma. Gezien het belang van Buma bij toegang tot de rechter zou toepassing van de zware sanctie van ontslag van instantie leiden tot een onbillijke situatie. Daarom werd de hardheidsclausule toegepast en werd ontslag van instantie afgewezen.
De zaak werd verwezen naar de rol van 12 september 2018 voor conclusie van antwoord van Revolt. Hiermee werd het proces voortgezet ondanks de eerdere betalingsfout.
Uitkomst: De rechtbank past de hardheidsclausule toe en wijst ontslag van instantie af ondanks niet tijdige betaling van het griffierecht.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/547516 / HA ZA 18-333
Vonnis van 18 juli 2018
in de zaak van
de vereniging
VERENIGING BUMA,
gevestigd te Amstelveen,
eiseres,
advocaat mr. S.R.M.T. Janssen te Hoofddorp,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
REVOLT EVENEMENTEN B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde,
advocaat mr. M. Bonarius te Rotterdam.
Partijen zullen hierna Buma en Revolt genoemd worden.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 28 maart 2018;
de akte houdende overlegging producties van de zijde van Buma;
de brief van de rechtbank van 9 mei 2018, waarbij de zaak is verwezen naar de rol van 23 mei 2018 voor akte uitlaten over de betaling van het griffierecht aan de zijde van Buma;
de akte uitlating omtrent betaling griffierecht van de zijde van Buma;
het aan Revolt verleende verstek en de zuivering daarvan.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2.De beoordeling
2.1.
Op grond van artikel 3 lid 1 vanPro de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) is iedere verschenen partij in een civiele procedure een griffierecht verschuldigd. De eiser dient ervoor te zorgen dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na de eerste uitroeping van de zaak ter terechtzitting of na de eerste roldatum is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient dan wel ter griffie is gestort (artikel 3 lid 3 WgbzPro). Ingevolge artikel 127a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ontslaat de rechter de gedaagde van de instantie, indien de eiser het griffierecht niet tijdig heeft voldaan. Uit lid 2 van artikel 127a Rv volgt tevens dat de rechter, alvorens over te gaan tot ontslag van instantie, de eiser in de gelegenheid stelt zich uit te laten over het niet tijdig voldoen van het verschuldigde griffierecht.
2.2.
De eerste roldatum van de onderhavige zaak was op 28 maart 2018. Buma diende het griffierecht binnen vier weken na 28 maart 2018 te voldoen. De rechtbank heeft de advocaat van Buma bij brief van 9 mei 2018 bericht dat het door Buma verschuldigde griffierecht niet tijdig is voldaan binnen de daarvoor in artikel 3 lid 3 WgbzPro bepaalde termijn. Vervolgens is Buma in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de (niet tijdige) betaling van het griffierecht en een beroep te doen op de hardheidsclausule. De raadsvrouw van Buma heeft bij akte aangegeven dat het griffierecht op 17 april 2018 door Buma is voldaan. De raadsvrouw van Buma heeft tevens in correspondentie met de griffie aangegeven dat een foutief betalingskenmerk is gebruikt bij de betaling van het griffierecht. Buma stelt dat zij (niettemin) tijdig heeft betaald. Buma stelt voorts dat haar een beroep op de hardheidsclausule toekomt, in het geval de rechtbank oordeelt dat het griffierecht niet tijdig is voldaan.
2.3.
Blijkens de van de griffie ontvangen informatie is op 17 april 2018 een betaling gedaan door Buma ter hoogte van het griffierecht. De vermelding van een onjuist betalingskenmerk hierbij heeft geleid tot enkele complicaties, die tot gevolg hebben gehad dat het griffierecht van Buma niet binnen de daarvoor gestelde termijn door de rechtbank is ontvangen. De rechtbank is daarom van oordeel dat Buma niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 3 lid 3 WgbzPro. Van de griffie is vernomen dat het griffierecht inmiddels wel door de rechtbank is ontvangen.
Over het door Buma gedane beroep op de hardheidsclausule van artikel 127a lid 3 Rv wordt als volgt geoordeeld. De hardheidsclausule wordt toegepast indien – gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter – een onbillijke situatie zal ontstaan bij toepassing van de sanctie van ontslag van instantie. De rechtbank is van oordeel dat ontslag van instantie van Revolt in dit geval – met het oog op het belang van Buma bij toegang tot de rechter – zal leiden tot een onbillijke situatie, omdat de niet tijdige betaling enkel en alleen verband houdt met een door de advocaat van Buma gemaakte verschrijving bij de vermelding van het betalingskenmerk. Toepassing van de (zware) sanctie van ontslag van instantie acht de rechtbank in het onderhavige geval daarom niet opportuun. De conclusie is dat Buma een succesvol beroep toekomt op de hardheidsclausule.
2.4.
Nu het verschuldigde griffierecht alsnog is voldaan, zal de zaak worden verwezen naar de rol van 12 september 2018 voor conclusie van antwoord aan de zijde van Revolt.
3.De beslissing
De rechtbank
3.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 augustus 2018voor conclusie van antwoord aan de zijde van Revolt.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2018.