Op 17 oktober 2017 vond een schietpartij plaats voor een café in Rotterdam-Zuid waarbij twee personen gewond raakten. De verdachte en een medeverdachte liepen vanuit een nabijgelegen café gewapend naar het doelcafé en losten meerdere schoten. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte medepleegde aan poging zware mishandeling, het bezit van verboden wapens en bedreiging met een vuurwapen.
De rechtbank baseerde zich op camerabeelden van hoge kwaliteit, getuigenverklaringen en een NFI-rapport waaruit blijkt dat de hulzen afkomstig waren van twee verschillende vuurwapens. De verdachte werd herkend op de beelden en door verbalisanten. De verdediging voerde aan dat herkenning onvoldoende betrouwbaar was en dat er geen bewijs was voor nauwe samenwerking of dat de verdachte daadwerkelijk had geschoten, maar dit werd verworpen.
De rechtbank oordeelde dat sprake was van voorwaardelijk opzet en een bewuste, nauwe samenwerking bij het plegen van het feit. De verdachte handelde willens en wetens en veroorzaakte een gevaarlijke situatie in het openbaar. Gezien de ernst van de feiten en het strafblad van de verdachte legde de rechtbank een gevangenisstraf van 36 maanden op, hoger dan de eis van 24 maanden.
De vordering van de benadeelde partij tot materiële schadevergoeding werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en gebrek aan rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde. Het verzoek tot het horen van anonieme getuigen werd eveneens afgewezen.
De verdachte werd vrijgesproken van het primair ten laste gelegde medeplegen poging doodslag, maar veroordeeld voor de subsidiaire tenlasteleggingen. De opgelegde straf houdt rekening met de maatschappelijke impact van vuurwapengeweld en het gevaar voor de openbare orde.