ECLI:NL:RBROT:2018:6126
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige bewaring van asielzoeker en toekenning schadevergoeding
Eiser, een asielzoeker, werd op 5 juli 2018 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit bleek onrechtmatig omdat hij tijdens het beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag niet ter uitzetting in bewaring mocht worden gesteld, conform het arrest Gnandi van het Hof van Justitie van de EU. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze maatregel gegrond en oordeelde dat de bewaring onrechtmatig was vanaf het moment van opleggen.
Verweerder stelde eiser aansluitend op 13 juli 2018 in bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet. Deze maatregel werd door de rechtbank als rechtmatig beoordeeld, mede omdat de bewaring niet ter uitzetting was opgelegd en er ernstige redenen waren om aan te nemen dat eiser een gevaar voor de openbare orde vormde vanwege gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.
De rechtbank kende eiser een schadevergoeding toe van €640,- voor acht dagen onrechtmatige bewaring en veroordeelde verweerder in de proceskosten van €1.002,-. Het beroep tegen de tweede maatregel van bewaring werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding in dat verband afgewezen.
Uitkomst: Eiser krijgt een schadevergoeding van €640,- voor onrechtmatige bewaring; de tweede bewaring wordt als rechtmatig beoordeeld.