Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
Er wordt onvoldoende rekening gehouden met de verschillen tussen de studenten.
De gecoachte laat zien dat ze van “haar studenten houdt”. Ze kent ze bij naam, is behulpzaam en op de gang kunnen de studenten haar aanspreken. (…)
3.Het geschil
4.De beoordeling
HR 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:182).
Kamerstukken II 2013/14, 33818, 4, p. 60) en naar het oordeel van de kantonrechter past het door Zadkine ingediende nevenverzoek hier binnen dit bepaald ruime kader.
HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687). Deze norm houdt in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn, zodat het niet aankomt op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar (juist) op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld. Daarbij moet (immers) bedacht worden dat een werknemer zoals [verweerster] niet betrokken is geweest bij de totstandkoming van de cao en dus geen invloed heeft kunnen uitoefenen op de inhoud of formulering van de daarin opgenomen bepalingen. Voor haar is de bedoeling van de wel bij die totstandkoming betrokken partijen dan ook slechts kenbaar uit de in de cao opgenomen bepalingen en de daarbij eventueel bijbehorende schriftelijke toelichting. De bestaansgrond van de cao-norm is volgens voormeld arrest (dan ook) gelegen in de bescherming van derden (zoals [verweerster] ) tegen een uitleg van een bepaling in een (collectieve arbeids-)overeenkomst waarbij betekenis wordt toegekend aan de voor hen niet kenbare partijbedoeling en in de noodzaak van een eenvormige uitleg voor alle door die overeenkomst gebonden partijen.