ECLI:NL:RBROT:2018:6532
Rechtbank Rotterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering schorsing tenuitvoerlegging terugverhuisbeschikking minderjarige dochter
Partijen zijn gescheiden en hebben een minderjarige dochter. Moeder verhuisde in november 2017 zonder instemming van vader met de dochter naar Veghel, waarna vader een verzoek tot terugverhuizing indiende. De rechtbank bepaalde bij beschikking van 16 april 2018 dat moeder binnen drie weken met de dochter terug moest verhuizen naar Maassluis, onder dreiging van een dwangsom.
Moeder is hiertegen in hoger beroep gegaan en vordert in kort geding schorsing van de tenuitvoerlegging van deze beschikking. Zij stelt dat zij jarenlang mishandeld is door vader en zich onveilig voelt in Maassluis, en dat zij inmiddels een baan en huurwoning in Eindhoven heeft. De rechtbank oordeelt echter dat de oorspronkelijke beschikking zorgvuldig tot stand is gekomen, waarbij het belang van het kind en de band met beide ouders centraal staat.
De rechtbank constateert geen sprake van een juridische of feitelijke misslag in de beschikking, noch van nieuwe feiten die een noodtoestand voor moeder zouden veroorzaken. Het verlies van de woning in Eindhoven wordt niet als een noodtoestand gezien, mede omdat moeder deze situatie zelf heeft gecreëerd. De vordering tot schorsing wordt daarom afgewezen. De zaak in reconventie wordt verwezen naar het team Familie voor voortzetting volgens de verzoekschriftprocedure.
Uitkomst: De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de terugverhuisbeschikking wordt afgewezen.