Uitspraak
1. Het verloop van de procedure
- het exploot van dagvaarding van 29 juni 2017, met de daarbij overgelegde producties;
- de conclusie van antwoord, met de daarbij overgelegde producties;
- het tussenvonnis van 14 september 2017, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
- het proces-verbaal van de op 18 oktober 2017 gehouden comparitie van partijen;
- de aktewijziging van eis, tevens houdende aanvullende producties zijdens Ropana;
- de akte indiening producties aan de zijde van [gedaagde];
- de akte uitlating producties zijdens Ropana;
- de akte houdende uitlating aan de zijde van [gedaagde], waarbij een laatste productie in het geding is gebracht.
2.De vaststaande feitenAls enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.
“het loon ad € 2.815,67 bruto per maand vanaf de maand maart 2014 tot de aan de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW Pro en de wettelijke verhoging in de zin van artikel 7:625 BW Pro van 10% over het achterstallige salaris van de maanden maart tot en met november 2014 vanaf de data van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening”.
18 december 2015 geoordeeld dat Ropana onvoldoende meewerkt aan de re-integratie van [gedaagde].
“(…)
3.Het geschil en de standpunten van partijen
4.De beoordeling
2 januari 2013 is in artikel 22 met Pro zoveel woorden opgenomen dat op de arbeidsovereen-komst geen cao van toepassing is. Tevens staat vast dat partijen in de arbeidsovereenkomst geen bijzondere regeling hebben getroffen ten aanzien van de loondoorbetaling tijdens ziekte. Derhalve dient het tussen partijen gerezen geschil beoordeeld te worden aan de hand van de wettelijke regeling in artikel 7:629 BW Pro. Anders dan Ropana lijkt te suggereren maakt die bepaling ten aanzien van de 100% en 70% loondoorbetaling tijdens ziekte geen onderscheid tussen het eerste en tweede jaar van de ziekte. Krachtens bedoeld artikel heeft de werknemer - behoudens het maximum dagloon ex art. 17 lid 1 Wfsv Pro hetgeen in casu niet aan de orde is - tijdens ziekte gedurende 104 weken recht op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon, met dien verstande dat de werknemer tijdens de eerste 52 weken van de ziekte ten minste recht heeft op het voor hem geldende minimumloon. Tevens dient bedacht te worden dat het de werkgever vrij staat om van de regeling van artikel 7:629 BW Pro af te wijken in een voor de werknemer gunstige zin.
€ 36.040.58, zijnde het verschil tussen € 37.915,28 en € 1.874,70.
€ 14.716,53 aan Ropana terug te betalen. Een en ander betekent dat Ropana van haar kant gehouden is de afdrachten over het bruto equivalent van € 21.324,05 netto voor haar rekening te nemen.
8 maart 2017 gehouden is tot loondoorbetaling. Immers na de loonsanctie is in ieder geval de loondoorbetalingsverplichting van Ropana per 7 maart 2014 geëindigd, zolang [gedaagde] niet tot re-integratie in staat is. In zoverre is de verklaring voor recht in ieder geval toewijsbaar. Ook [gedaagde] heeft belang bij die verklaring voor recht. Het UWV heeft immers in de beslissing van 24 november 2017 te kennen gegeven dat zij de WIA-uitkering van [gedaagde] verrekent met het loon dat hij ontvangt van Ropana. Voor die verrekening bestaat echter geen enkele grond, nu vaststaat dat de loonbetalingsverplichting van Ropana in elk geval geëindigd is per 8 maart 2017.