De moeder verzocht de rechtbank om verlenging van de ondertoezichtstelling van haar twee minderjarige kinderen voor twaalf maanden. De kinderen wonen bij de vader, die het gezag samen met de moeder uitoefent. De ondertoezichtstelling was verlengd tot 9 augustus 2018, maar daarna niet meer verlengd door de gecertificeerde instelling (GI). De moeder maakte zich zorgen over de thuissituatie en wilde dat een onafhankelijke derde toezicht hield.
De GI stelde dat er geen gronden meer zijn voor verlenging omdat de kinderen goed functioneren thuis en op school, en zij geen contact met de moeder willen. De vader was het ook niet eens met het verzoek en wilde verhuizen, maar de moeder werkte niet mee aan de verkoop van de woning.
De rechtbank oordeelde dat verlenging van een verlopen ondertoezichtstelling niet mogelijk is en dat de moeder niet ontvankelijk is in een nieuw verzoek zolang niet vaststaat dat de Raad voor de Kinderbescherming geen nieuw verzoek indient. De angst van de moeder voor toekomstige problemen en het ontbreken van contact met de moeder zijn onvoldoende gronden voor verlenging. De rechtbank wees het verzoek af en verklaarde de moeder niet ontvankelijk voor zover het als nieuw verzoek moest worden aangemerkt.