Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
[eiser],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 25 april 2018;
- het proces-verbaal van comparitie van 6 juli 2018, alsmede de pleitnota van eisers en de met het oog op die zitting toegezonden producties van Sabah Duitsland;
- de brief namens eisers naar aanleiding van het proces-verbaal d.d. 21 augustus 2018, met, zoals ter zitting afgesproken, de procesbesluiten.
2.De feiten
Voor wat betreft het belang van de gemeente Rotterdam in deze, hebben eisers aangevoerd dat de negatieve berichten over [eiser] op het internet mede verband houden met [eiser] in zijn hoedanigheid van gemeenteraadslid van de gemeente Rotterdam en dat [eiser] als gevolg van de smaad en laster gedwongen is geweest zijn functie van gemeenteraadslid (tijdelijk) neer te leggen. De Hoge Raad heeft bepaald dat aan de werkgever de bevoegdheid toekomt tot het instellen van een vordering uit hoofde van een eigen belang bij de bescherming van zijn werknemers alsook ter bescherming van die werknemers, mede op grond van goed werkgeverschap (HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR: 2017:569). Naar analogie oordeelt de voorzieningenrechter dat een gemeentelijke instantie in rechte kan optreden in het geval dat een gemeenteraadslid wordt gehinderd in zijn functioneren bij de gemeente als gevolg van smaad en laster. De gemeente Rotterdam is wezenlijk in haar belangen aangetast door de handelwijze van gedaagden, zodat zij in die zin belang heeft bij toewijzing van de vorderingen.
3.Het geschil
4.De beoordeling
onlangsin de tekst van de rectificatie.
voor elke keer dat zij niet of niet tijdig aan elk van de voorgaande bevelen of verboden voldoet (dus: per overtreding, per dag). Het vonnis is betekend op 8 augustus 2017. Elke dag daarna opnieuw heeft Sabah Duitsland aan het onder rov. 4.7 gegeven bevel niet voldaan. Dat heeft meer dan 100 dagen geduurd (de rectificatie is immers helemaal niet geplaatst), zodat meer dan € 100.000 aan dwangsommen verbeurd zou zijn, als de voorzieningenrechter niet een maximum van
5.De beslissing
9 januari 2019voor het nemen van een akte door beide partijen over hetgeen is vermeld onder 4.4, waarna het schriftelijk debat tussen partijen in beginsel is geëindigd,
1582