Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mevrouw [naam 2] , werkzaam bij Avres (hierna: schuldhulpverlening).
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om een schuldeiser, Aannemersbedrijf, te dwingen in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. De regeling voorzag in een betaling van 25,83% aan de preferente schuldeiser en 12,91% aan de concurrente schuldeisers, gebaseerd op de afloscapaciteit van verzoeker, inclusief zijn lopende kinderalimentatieverplichting.
Vijf schuldeisers stemden in met de regeling, maar Aannemersbedrijf weigerde vanwege de aanzienlijke vordering en de voorgeschiedenis van onbetaalde schulden van verzoeker. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende aannemelijk was dat het voorstel het uiterste was wat verzoeker kon bieden, mede omdat bij de afloscapaciteit rekening was gehouden met de alimentatieverplichting die bij een wettelijke schuldsaneringsregeling mogelijk op nihil gesteld zou kunnen worden.
De rechtbank vond dat de belangen van Aannemersbedrijf als weigerende schuldeiser zwaarder wogen dan die van verzoeker en de overige schuldeisers en wees het verzoek tot dwangakkoord af. Een afzonderlijke beslissing over de schuldsaneringsregeling volgt later.
Uitkomst: Het verzoek tot dwangakkoord wordt afgewezen omdat rekening is gehouden met de lopende alimentatieverplichting en onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is.