Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2018:792

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 januari 2018
Publicatiedatum
6 februari 2018
Zaaknummer
C/10/539993 / FT EA 17/2379
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot dwangakkoord wegens rekening houden met lopende alimentatieverplichting

Verzoeker diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om een schuldeiser, Aannemersbedrijf, te dwingen in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. De regeling voorzag in een betaling van 25,83% aan de preferente schuldeiser en 12,91% aan de concurrente schuldeisers, gebaseerd op de afloscapaciteit van verzoeker, inclusief zijn lopende kinderalimentatieverplichting.

Vijf schuldeisers stemden in met de regeling, maar Aannemersbedrijf weigerde vanwege de aanzienlijke vordering en de voorgeschiedenis van onbetaalde schulden van verzoeker. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende aannemelijk was dat het voorstel het uiterste was wat verzoeker kon bieden, mede omdat bij de afloscapaciteit rekening was gehouden met de alimentatieverplichting die bij een wettelijke schuldsaneringsregeling mogelijk op nihil gesteld zou kunnen worden.

De rechtbank vond dat de belangen van Aannemersbedrijf als weigerende schuldeiser zwaarder wogen dan die van verzoeker en de overige schuldeisers en wees het verzoek tot dwangakkoord af. Een afzonderlijke beslissing over de schuldsaneringsregeling volgt later.

Uitkomst: Het verzoek tot dwangakkoord wordt afgewezen omdat rekening is gehouden met de lopende alimentatieverplichting en onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 29 januari 2018
in de zaak van:
[naam 1],
wonende te [adres]
[woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 27 november 2017, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een schuldeiser, te weten: Aannemersbedrijf [bedrijf] V.O.F., vertegenwoordigd door Heijltjes Advocaten (hierna: Aannemersbedrijf), die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Aannemersbedrijf heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift toegezonden.
Ter zitting van 9 januari 2018 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mevrouw [naam 2] , werkzaam bij Avres (hierna: schuldhulpverlening).
De weigerende schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift zes schuldeisers, waarvan een preferente en vijf concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 252.688,63 van verzoeker te vorderen.
Verzoeker heeft bij brief van 28 juli 2017 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 25,83% aan de preferente schuldeiser en 12,91% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De aangeboden regeling is gebaseerd op de afloscapaciteit die verzoeker heeft op basis van zijn dienstbetrekking en op basis van de kinderalimentatie die verzoeker dient te betalen. Verzoeker heeft een fulltime dienstbetrekking. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen.
Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden.
Vijf schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Aannemersbedrijf stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 42.606,74 op verzoeker, welke 16,86% van de totale schuldenlast beloopt.

3.Het verweer

In haar verweerschrift heeft Aannemersbedrijf gesteld dat verzoeker een geschiedenis heeft van onbetaalde schulden, hetgeen onder andere heeft geleid tot toelating tot de schuldsaneringsregeling die met een schone lei is beëindigd. Minder dan een jaar na het verlenen van de schone lei heeft verzoeker een aannemingsovereenkomst met Aannemersbedrijf gesloten die kort daarna al niet meer werd nagekomen. Aannemersbedrijf heeft zich op het standpunt gesteld dat het handelen van verzoeker niet rechtvaardigt dat hij opnieuw wordt verlost van een door hemzelf veroorzaakte schuldenlast. Aannemersbedrijf heeft voorts te kennen gegeven het zich niet te kunnen veroorloven om een dergelijk fors bedrag af te schrijven.
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft Aannemersbedrijf geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting nader toe te lichten.

4.De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Aannemersbedrijf bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Aannemersbedrijf in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Verzoeker heeft drie kinderen en dient thans per maand een totaalbedrag van € 1.592,66 aan kinderalimentatie te betalen. Bij de bepaling van de afloscapaciteit van verzoeker heeft schuldhulpverlening de verplichting tot het betalen van de kinderalimentatie meegenomen in die zin, dat het vrij te laten bedrag verhoogd is met het bedrag van € 1.592,66. Indien verzoeker zou worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zou hier echter geen rekening mee worden gehouden. Immers, in dat geval zou van verzoeker worden verlangd dat hij een verzoek zou indienen bij de rechtbank om zijn alimentatie op nihil te stellen. Het ligt in de rede dat dit verzoek dan zou worden toegewezen nu volgens vaste jurisprudentie als uitgangspunt geldt dat een onderhoudsplichtige die is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling – behoudens bijzondere omstandigheden, die niet gesteld of gebleken zijn – niet over de draagkracht beschikt om een onderhoudsbijdrage te betalen.
Doordat er beslag ligt op het inkomen van verzoeker is hij tot nu toe niet in staat geweest om een verzoek tot nihilstelling van de alimentatie bij de rechtbank in te dienen. Schuldhulpverlening heeft gesteld dat het beslag zal worden opgeheven als de minnelijke schuldregeling tot stand komt en dat er dan een verzoek tot nihilstelling kan worden gedaan. Er is echter geen garantie dat het verzoek tot nilhilstelling zal worden toegewezen. Er is dan immers sprake van de uitvoering van een (gedwongen) minnelijk traject en dus niet van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Zou het verzoek tot nihilstelling niet worden toegewezen, dan zullen de overige schuldeisers van verzoeker in het (gedwongen) minnelijk traject dus minder ontvangen dan in de situatie dat de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing zou zijn.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van Aannemersbedrijf als weigerende schuldeiser zwaarder wegen dan die van verzoeker of de overige schuldeisers. Het verzoek om Aannemersbedrijf te bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.
De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout, rechter, en in aanwezigheid van
mr. S. Verberne, griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2018. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.