Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.Het verloop van de procedure
2.De vaststaande feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
5.De beslissing
:
Rechtbank Rotterdam
De moeder van de minderjarige sloot in 2000 een effectenleaseovereenkomst met Dexia zonder machtiging van de kantonrechter, waardoor de overeenkomst vernietigbaar was op grond van artikel 1:347 BW Pro. De wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige deed in 2005 een beroep op vernietiging. Dexia voerde verjaring aan, maar de rechtbank oordeelde dat de verjaringstermijn niet was verstreken omdat deze pas begint te lopen vanaf het meerderjarig worden van de minderjarige.
De rechtbank stelde vast dat Dexia haar zorgplicht had geschonden door de wettelijk vertegenwoordiger niet te waarschuwen voor de speculatieve aard van de belegging, wat onrechtmatig was jegens de minderjarige. Dexia werd veroordeeld tot terugbetaling van het betaalde bedrag van € 2.178,- vermeerderd met wettelijke rente vanaf 29 december 2005 en tot vergoeding van de schade door betalingen aan Värde, aan wie de vordering was overgedragen.
De vordering tot doorhaling van een eventuele BKR-registratie werd afgewezen vanwege onvoldoende bewijs van het bestaan daarvan. De buitengerechtelijke kosten werden vastgesteld op € 535,50 plus wettelijke rente. Dexia werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en gewezen door mr. P. Joele.
Uitkomst: De effectenleaseovereenkomst is vernietigd en Dexia is veroordeeld tot terugbetaling en vergoeding van schade en kosten.