Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 februari 2018 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser,
[belanghebbenden], belanghebbenden.
Rechtbank Rotterdam
Eiser heeft een schuur verbouwd waarbij de toegestane nok- en goothoogte uit de omgevingsvergunning is overschreden, wat een overtreding is van artikel 2.3 van de Wabo. Verweerder heeft daarom handhavend opgetreden en twee lasten onder dwangsom opgelegd. Eiser betoogt dat handhaving onredelijk is vanwege het ontbreken van schade bij belanghebbenden en wijst op een mededeling van een bouwopzichter die zou hebben aangegeven dat geen vergunningwijziging nodig was.
De rechtbank stelt vast dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat en dat de belangen van de derde-belanghebbenden zwaarder wegen dan het beroep op het vertrouwensbeginsel. De financiële gevolgen voor eiser en zijn bedrijf vormen geen grond om handhaving te weigeren. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de schuur van belanghebbenden deels op de grond van eiser staat.
De rechtbank oordeelt dat verweerder bevoegd is om handhavend op te treden en dat het beroep ongegrond is. Tevens is vastgesteld dat verweerder het bezwaar van belanghebbenden gegrond heeft verklaard en het primaire besluit heeft herroepen, maar geen nieuw besluit had genomen totdat op 5 oktober 2017 alsnog een nieuw besluit is genomen. Dit besluit maakt onderdeel uit van de beslissing op bezwaar, waarop het beroep mede ziet.
De uitspraak bevestigt dat handhaving in dit geval proportioneel is en dat het bestuursorgaan terecht heeft gehandeld. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het opleggen van twee lasten onder dwangsom wegens overschrijding van de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard.