Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
2.De beoordeling
3.De beslissing
E.J.C. Korbee, griffier, in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2018.
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wegens het niet kunnen voldoen aan zijn schulden. De rechtbank constateert dat verzoeker een preferente schuld heeft aan de Belastingdienst van €19.183,68 en een concurrente schuld van €1.618, die verband houdt met onterecht ontvangen toeslagen. Verzoeker was zich niet bewust van de toeslagen omdat deze werden gestort op een niet meer gebruikte bankrekening met een debetsaldo.
De rechtbank oordeelt dat verzoeker verantwoordelijk is voor het juist informeren van de Belastingdienst en dat hij meerdere keren kennis had moeten nemen van de toeslagenbeschikkingen. Hierdoor is de schuld niet te goeder trouw ontstaan, wat normaal gesproken tot afwijzing van het verzoek leidt. Echter, op grond van artikel 288 lid 3 Fw Pro kan het verzoek toch worden toegewezen als aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die tot de schulden hebben geleid onder controle heeft gekregen.
De rechtbank acht dit het geval omdat verzoeker de toeslagen onmiddellijk stopzette zodra hij op de hoogte was van de onterechte betalingen en sinds 2016 een fulltime baan heeft waarin hij actief zijn schulden aflost. Tevens heeft hij geen nieuwe verwijtbare schulden gemaakt. Daarom past de rechtbank de hardheidsclausule toe en wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling toe.
De rechtbank benoemt tevens een rechter-commissaris en kent een voorschot toe op de vergoeding van de bewindvoerder. De procedure wordt als hoofdprocedure geopend omdat het centrum van voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.
Uitkomst: Verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt toegewezen ondanks onterecht ontvangen toeslagen.