ECLI:NL:RBROT:2018:8103

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 september 2018
Publicatiedatum
1 oktober 2018
Zaaknummer
C/10/558282 / FT EA 18/1481
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 FwArt. 2:19 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek eigen aangifte tot faillissementsverklaring niet ontvankelijk wegens onvoldoende belang

De besloten vennootschap [naam 1] B.V. heeft op eigen aangifte een verzoek tot faillissementsverklaring ingediend bij de rechtbank Rotterdam. Tijdens de zitting is de (middellijk) bestuurder gehoord en is vastgesteld dat de vennootschap is gestopt met betalen, wat formeel voldoet aan de faillissementsvereisten.

Echter blijkt uit de stukken en de zitting dat de vennootschap geen baten heeft, geen debiteuren, geen onroerende zaken, geen personeel en dat de bedrijfsactiviteiten zijn gestaakt. Er zijn ook geen aanwijzingen dat er nog baten te verwachten zijn, bijvoorbeeld door aansprakelijkheid van de bestuurder.

De rechtbank overweegt dat zonder baten een curator het faillissement snel zal voordragen voor opheffing, waarna de vennootschap zal worden ontbonden. Dit zou leiden tot extra schulden door curatorwerkzaamheden zonder baten voor schuldeisers. De rechtbank concludeert daarom dat de vennootschap onvoldoende belang heeft bij het faillissementsverzoek.

De rechtbank verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld door bevoegde partijen binnen acht dagen na uitspraak.

Uitkomst: Verzoek tot faillissementsverklaring wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
Uitspraakdatum: 20 september 2018
Rekestnummer: [nummer]
BESCHIKKING op het verzoek van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[naam 1] B.V.,
statutair gevestigd te [plaats] ,
kantoorhoudende aan [adres]
[postcode] [plaats] ,
aangeefster,
strekkende tot haar (op eigen aangifte) faillietverklaring.

1.De procedure

Op 11 september 2018 heeft aangeefster ter griffie van de rechtbank een verzoek tot (op eigen aangifte) faillietverklaring ingediend.
Op 18 september 2018 is de heer [naam 2] , (middellijk) bestuurder van aangeefster in raadkamer gehoord.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.De beoordeling

Uit de overgelegde stukken, alsmede het verhandelde ter zitting is voldoende duidelijk geworden dat aangeefster verkeert in een toestand van te hebben opgehouden te betalen. In zoverre is voldaan aan de in de Faillissementswet (hierna: Fw) gestelde eisen om op eigen aangifte in staat van faillissement te worden verklaard. De rechtbank is evenwel van oordeel dat aangeefster onvoldoende belang heeft bij het verzochte faillissement.
De heer [naam 2] heeft verklaard dat de onderneming niet over enige bate beschikt. Uit de ‘eigen aangifte verklaring’ blijkt dat geen sprake is van debiteuren, er geen (on)roerende zaken zijn, er geen sprake is van een bedrijfspand of personeel, en dat de bedrijfsactiviteiten inmiddels geruime tijd zijn gestaakt. Evenmin zijn er, gelet op het verhandelde ter zitting en de overgelegde stukken, op dit moment aanwijzingen dat andere baten te verwachten zijn (bijvoorbeeld door aansprakelijkheid van de bestuurder).
Er is derhalve naar verwachting geen te executeren vermogen. Dat, gevoegd bij het feit dat gesteld noch gebleken is dat belangen van derden (zoals werknemers) betrokken zijn, betekent dat te verwachten is dat een curator vanwege een gebrek aan baten en de oplopende faillissementskosten het faillissement ex artikel 16 Fw Pro zo snel mogelijk zal voordragen voor opheffing. Aangeefster zal dan door die opheffing worden ontbonden (artikel 2:19, eerste lid sub c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)). In dat geval zal de schuldenlast van aangeefster alleen maar zijn toegenomen als gevolg van de werkzaamheden van de curator.
Daar staat tegenover dat aangeefster – in de regel door een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders – mogelijk op grond van artikel 2:19 lid 1 BW Pro kan worden ontbonden. Ingevolge artikel 2:19 lid 4 BW Pro houdt de rechtspersoon die op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, alsdan op te bestaan. In dat geval doet het bestuur daarvan opgaaf aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven. Het is vervolgens aan (een van) de crediteuren om - in het kader van een eventueel verzoek tot faillietverklaring - aannemelijk te maken dat er toch baten zijn en dat hij/zij bij vereffening (enige) betaling zou(den) hebben ontvangen.
Onder deze omstandigheden heeft aangeefster onvoldoende belang bij het verzoek tot faillietverklaring.

3.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart [naam 1] B.V. niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Deze beschikking is op 20 september 2018 gegeven door mr. F. Damsteegt-Molier, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Pieters-Boelhouwer, griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.