Op 7 november 2016 sloot de gedaagde een overeenkomst van geldlening met eiser waarbij zij € 1.000,- leende tegen een rente van 20% per maand. De gedaagde betaalde niet volledig terug, waarop eiser betaling van de hoofdsom, de hoge contractuele rente, incassokosten en proceskosten vorderde.
De gedaagde betwistte de ontvangst van de overeenkomst en stelde dat zij al € 600,- contant had betaald, maar kon dit niet bewijzen. De rechtbank stelde vast dat eiser bedrijfsmatig geld uitleent en dat de overeenkomst een consumentenkredietovereenkomst betreft.
De kantonrechter beoordeelde het rentebeding ambtshalve en oordeelde dat de 20% maandelijkse rente een oneerlijk beding is volgens de Richtlijn 93/13/EEG, omdat deze rente veel hoger is dan de wettelijke en marktrente zonder rechtvaardigende omstandigheden.
Daarom werd het rentebeding buiten beschouwing gelaten en werd alleen de wettelijke rente vanaf 7 december 2016 toegewezen. Tevens werden de buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten aan eiser toegekend. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.