ECLI:NL:RBROT:2018:8263

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 oktober 2018
Publicatiedatum
5 oktober 2018
Zaaknummer
18/2566_V
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:72a Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep inzake boetebesluit wegens ontbreken procesbelang

Verweerder legde aan een bedrijf een boete op, waarna opposante verzocht als belanghebbende aan de bezwaarprocedure deel te nemen. Dit verzoek werd afgewezen in eerste aanleg en in bezwaar. Opposante stelde beroep in tegen het besluit van 29 maart 2018, maar de rechtbank verklaarde dit beroep op 29 juni 2018 niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, aangezien de bezwaarprocedure was afgerond en niet meer zou worden hervat.

Opposante deed verzet tegen deze uitspraak en voerde aan dat de rechtbank de bestuurlijke lus had kunnen toepassen omdat het boetebesluit een gebrek vertoonde doordat opposante niet als derdebelanghebbende was betrokken bij de voorbereiding. Tevens stelde zij dat de toelating als partij in de bezwaarprocedure van belang is voor de beoordeling van het boetebesluit.

De rechtbank oordeelde dat gezien de aard van het beroep en de aangevoerde argumenten niet met redelijke zekerheid kon worden gezegd dat de uitspraak zonder zitting correct was. Daarom werd het verzet gegrond verklaard, de eerdere uitspraak verviel en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

Uitkomst: Het verzet is gegrond verklaard en de eerdere niet-ontvankelijkverklaring vervalt, het onderzoek wordt voortgezet.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1
zaaknummer: ROT 18/2566
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2018 als bedoeld in artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht op het verzet van

[opposante] , te [woonplaats] , opposante,

gemachtigden: mr. D. de Jong, mr. M.J.J.M. Essers en K. Steenbergen,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 29 juni 2018 in het geding tussen opposante en de Autoriteit Consument en Markt (hierna: verweerder) over het besluit van 29 maart 2018.

Procesverloop

Verweerder heeft bij primair besluit van 22 mei 2017 aan [bedrijf] ) een boete opgelegd. Hangende de door [bedrijf] aangespannen bezwaarprocedure, heeft opposante aan verweerder verzocht om als belanghebbende aan de bezwaarprocedure deel te nemen.
Verweerder heeft in eerste aanleg bij besluit van 28 september 2017 op voormeld verzoek afwijzend beslist. Opposante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij besluit van 29 maart 2018 (het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard.
Opposante heeft op 9 mei 2018 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft op 29 juni 2018 bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 7 september 2018. Opposante en haar gemachtigden waren aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mrs. F.G.D. Pasaribu en E.K.S. Mollen.

Overwegingen

1. In deze verzetprocedure moet de rechtbank de vraag beantwoorden of zij bij de uitspraak van 29 juni 2018 het beroep van opposante terecht zonder zitting heeft afgedaan, omdat zij tot het oordeel kwam dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in deze verzetprocedure beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposante op zitting te horen. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht, die ook nog hadden kunnen worden aangevoerd als wel een zitting zou zijn gehouden voordat op het beroep werd beslist, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over die beslissing. Zo ja, dan is het verzet gegrond en komt de uitspraak waartegen het verzet is gericht te vervallen en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
2. In de uitspraak waartegen verzet is gedaan is overwogen dat opposante geen procesbelang heeft bij het beroep, omdat door het nemen van het bestreden besluit door verweerder de bezwaarprocedure is afgerond. Tevens is overwogen dat de bezwaarprocedure, gelet op de in artikel 8:72a van de Awb neergelegde verplichting voor de bestuursrechter tot het zelf in de zaak voorzien bij vernietiging van een boetebesluit, niet meer zal worden hervat.
3. In verzet heeft opposante - kort samengevat - aangevoerd dat in deze beroepsprocedure door de rechtbank de bestuurlijke lus had kunnen worden toegepast, nu er aan het boetebesluit een gebrek kleeft, aangezien dit besluit is genomen zonder dat zij als derdebelanghebbende bij de voorbereiding daarvan is betrokken. Opposante is tevens van oordeel dat de vaststelling of verweerder al of niet terecht heeft besloten om haar als partij te laten deelnemen in de bezwaarprocedure tegen het boetebesluit van belang is voor de beoordeling van de rechtbank van het boetebesluit. Opposante is verder van oordeel dat haar in de door [bedrijf] aangespannen beroepsprocedure kan worden tegengeworpen dat onherroepelijk vaststaat dat zij door verweerder niet als derdebelanghebbende is toegelaten. Als die tegenwerping slaagt leidt dit ertoe dat zij noch in bezwaar, noch in beroep als derdebelanghebbende wordt toegelaten, aldus opposante.
4. De verzetrechter is van oordeel dat, gelet op de aard en strekking van opposantes beroep en de daarmee samenhangende rechtsvragen, en hetgeen door opposante in verzet naar voren is gebracht, niet kon worden gezegd dat de uitspraak op het beroep in redelijkheid geen twijfel mogelijk was. Het beroep kon daarom niet met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb worden afgedaan.
5. Om deze reden is het verzet gegrond, zodat de uitspraak waartegen verzet was gedaan vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

Beslissing

De rechtbank:
verklaart het verzet gegrond;
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, rechter, in aanwezigheid van
C.W. Steenkist, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.