Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2018:8293

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 september 2018
Publicatiedatum
8 oktober 2018
Zaaknummer
ROT18/4784
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 Wkkgz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen publicatie inspectierapport zorgaanbieder

Op 31 augustus 2018 heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een schriftelijke aanwijzing gegeven aan Medisch Centrum Bernadotte B.V. op grond van artikel 27 van Pro de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Tevens is besloten de aanwijzing en het onderliggende rapport van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd te publiceren.

Verzoeksters, waaronder een voormalig bestuurder van het gezondheidscentrum, hebben geen bezwaar tegen de inhoud van de aanwijzing of de publicatie daarvan, maar verzoekster 2 betwist de openbaarmaking van het rapport vanwege vermeende onjuiste bevindingen en de schadelijke gevolgen voor haar werkgelegenheid.

De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster 1 geen procesbelang heeft en wijst het verzoek voor zover namens haar gedaan af. De rechter gaat ervan uit dat de aanwijzing en de bevoegdheid tot publicatie rechtmatig zijn. Bij de belangenafweging weegt het belang van transparantie, het informeren van (toekomstige) patiënten en het toezicht door de Inspectie zwaarder dan het belang van verzoekster 2 om negatieve publiciteit te voorkomen. Ook is in het rapport de reactie van verzoekster 2 opgenomen, wat onevenwichtigheid voorkomt.

Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de publicatie van het inspectierapport wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Team Bestuursrecht 1
zaaknummer: ROT 18/4784

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

26 september 2018 in de zaak tussen

Gezondheidscentrum Medimel B.V. - Medisch Centrum Bernadotte B.V., te Utrecht, verzoekster 1 en
[Naam], voormalig bestuurder van Gezondheidscentrum Medimel B.V., verzoekster 2, tezamen:
verzoeksters,
gemachtigde: mr. M.K. Struwe,
en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder,

gemachtigden: mr. R.H. Algera en mr. drs. J.M. Lange.
Verzoeksters en de gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, bijgestaan door M.R. Jansen.
Na de sluiting van het onderzoek ter zitting op 26 september 2018 heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. Verweerder heeft bij besluit van 31 augustus 2018 op grond van artikel 27 van Pro de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een schriftelijke aanwijzing gegeven aan Medisch Centrum Bernadotte B.V., voorheen Gezondheidscentrum Medimel. B.V. Daarbij is tevens besloten de aanwijzing alsmede het daaraan ten grondslag liggende rapport van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd van augustus 2018 (het rapport) te publiceren.
2. Verzoeksters hebben geen bezwaar tegen de inhoud van de aanwijzing en/of de publicatie daarvan. Het verzoek om voorlopige voorziening ziet op de openbaarmaking van het rapport. Verzoekster 2 stelt dat openbaarmaking van het rapport voor haar uitermate schadelijk is en dat in het rapport onjuiste bevindingen staan. Openbaarmaking zou betekenen dat verzoekster 2 zowel binnen de zorg als daarbuiten geen werk meer zal kunnen vinden.
3. De voorzieningenrechter overweegt dat niet duidelijk is geworden welk procesbelang verzoekster 1 heeft bij deze procedure. De argumenten die in het verzoekschrift zijn aangevoerd zien allen op de positie van verzoekster 2. Om die reden wordt het verzoek voor zover dat namens verzoekster 1 is gedaan afgewezen wegens het ontbreken van procesbelang.
4. De voorzieningenrechter overweegt verder dat de juistheid van de aanwijzing en de bevoegdheid tot publicatie daarvan niet wordt betwist. De voorzieningenrechter gaat er dan ook vooralsnog van uit dat de aanwijzing rechtmatig is en dat daarmee ook de bevoegdheid tot publicatie van die aanwijzing is gegeven.
Voor wat betreft de publicatie van het rapport dient een belangenafweging plaats te vinden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in de door hem te verrichten belangenafweging meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang dat (toekomstige) patiënten en hun ouders/vertegenwoordigers hebben bij hun keuze voor een zorgaanbieder, het belang van transparantie van het toezicht door de Inspectie en het belang van het nalevingsniveau door zorgaanbieders, dan aan het belang van verzoekster 2 om negatieve publiciteit te voorkomen. De voorzieningenrechter overweegt nog in het bijzonder dat in het rapport naast de bevindingen uit onderzoek van de Inspectie ook steeds de reactie van verzoekster 2 omtrent die bevindingen is opgenomen, zodat ook in die zin geen sprake is van onevenwichtigheid in het rapport.
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.
Deze uitspraak is op 26 september 2018 in het openbaar gedaan door mr. A.I. van Strien, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier.
griffier rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.