Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Algemeen
2.De vordering
€ 1.533.000,-. (zegge: één miljoen vijfhonderd drieëndertigduizend euro);
€ 1.533.000,- (zegge: één miljoen vijfhonderd drieëndertigduizend euro).
Rechtbank Rotterdam
De rechtbank Rotterdam behandelde de ontnemingsvordering tegen veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven. Hoewel veroordeelde werd vrijgesproken van overtreding van de artikelen 1 en 30b van de Wet op de kansspelen, werd vastgesteld dat hij feitelijk heeft gedeeld in de baten van illegale gokactiviteiten.
De ontnemingsvordering betrof het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel, dat de officier van justitie initieel schatte op ruim €3,2 miljoen. Na correcties, waaronder een 50%-aftrek wegens het aandeel van horeca-exploitanten en aftrek van kosten voor hardware en betalingen aan medeverdachten, stelde de rechtbank het voordeel vast op €1.533.000.
Veroordeelde had verklaard een maandelijkse vergoeding van circa €2.500 te hebben ontvangen, maar kon dit niet met verifieerbare gegevens onderbouwen. De rechtbank verwierp deze verklaring als ongeloofwaardig. De ontnemingsvordering werd toegewezen en veroordeelde werd verplicht het volledige bedrag aan de staat te betalen, rekening houdend met zijn persoonlijke omstandigheden.
De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en volgt op meerdere zittingen in 2018. Het vonnis werd uitgesproken door de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam op 10 oktober 2018.
Uitkomst: Veroordeelde is verplicht €1.533.000 aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de staat te betalen.