ECLI:NL:RBROT:2018:8513
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Officier van justitie niet-ontvankelijk in vordering tot verlenging TBS wegens te vroege indiening
De rechtbank Rotterdam behandelde een vordering van het openbaar ministerie tot verlenging van de terbeschikkingstelling (TBS) met dwangverpleging van de ter beschikking gestelde, die oorspronkelijk was gelast wegens doodslag. De TBS was vanaf 3 augustus 2001 van kracht en was in 2015 voor twee jaar verlengd. Tijdens een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging werd de ter beschikking gestelde aangehouden en veroordeeld voor een nieuw strafbaar feit, waarna de dwangverpleging werd hervat.
De kern van het geschil betrof de vraag vanaf welk moment de termijn van de TBS is opgeschort: vanaf de voorlopige hechtenis in de nieuwe strafzaak (20 november 2015) of pas vanaf het onherroepelijk worden van de beschikking tot hervatting van de dwangverpleging (15 oktober 2016). De rechtbank oordeelde dat de opschorting reeds aanving bij de aanhouding in de strafzaak, omdat TBS met voorwaardelijk beëindigde dwangverpleging onder de regeling van TBS met dwangverpleging valt.
De rechtbank stelde vast dat de officier van justitie de verlengingsvordering ruim een jaar te vroeg had ingediend, ruim vóór het verstrijken van de wettelijke termijn die op 14 augustus 2019 zou eindigen. Daarom werd de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot verlenging van de TBS.
De beslissing werd genomen door de meervoudige kamer voor strafzaken, waarbij ook de ter beschikking gestelde, zijn raadsman en een deskundige werden gehoord. Tegen deze beslissing staat beroep open bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling wegens te vroege indiening.