Eiser trad op 30 november 2016 in dienst bij Treijtel op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met een min/max-arbeidsduur van 2 tot 38 uur per week. Eiser werkte gemiddeld 43,5 uur per week in de eerste vier maanden, waarna hij zich ziek meldde en niet meer werkte.
Eiser vorderde loonbetaling gebaseerd op het gemiddelde van 43,5 uur per week over de periode van ziekte, stellende dat dit een structurele arbeidsduur betrof en hij zich beroept op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW. Treijtel verweerde zich met het standpunt dat het een min/max-contract betreft met pieken en dalen en dat de hoge uren in de eerste maanden tijdelijk waren vanwege vervanging van een zieke werknemer.
De kantonrechter oordeelde dat de vier maanden waarin eiser werkte niet representatief zijn voor de gehele duur van het contract en dat de flexibiliteit van het min/max-contract juist inhoudt dat er pieken en dalen zijn. Er is geen sprake van een structurele arbeidsduur van 43,5 uur. De loonvordering wordt daarom afgewezen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.