ECLI:NL:RBROT:2018:8856
Rechtbank Rotterdam
- Wraking
- J.H. de Wildt
- J.A.M.J. Janssen-Timmermans
- A. Verweij
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in civiele getuigenverhoorprocedure
In een civiele procedure tussen eiser en verzoekster, een besloten vennootschap, werd een wrakingsverzoek ingediend tegen de kantonrechter die het getuigenverhoor leidde. Verzoekster stelde dat de rechter partijdig was omdat hij een getuige, tevens directeur van verzoekster, niet toestond bij het verdere getuigenverhoor aanwezig te zijn en omdat de datum van het getuigenverhoor was vastgesteld zonder rekening te houden met de beschikbaarheid van alle getuigen.
De rechter had de aanwezigheid van de directeur bij het verdere verhoor verboden op verzoek van de wederpartij, uit vrees voor beïnvloeding van andere getuigen. Verzoekster betoogde dat dit onterecht was en dat de directeur als vertegenwoordiger van de partij aanwezig moest kunnen zijn. Ook vond zij dat de rechter onvoldoende rekening had gehouden met de getuigenbeschikbaarheid bij het plannen van het verhoor.
De wrakingskamer oordeelde dat geen objectieve aanwijzingen voor vooringenomenheid aanwezig waren. Een onwelgevallige procesbeslissing vormt op zichzelf geen grond voor wraking. De beslissing om de directeur niet toe te laten was een procesbeslissing binnen het rechterlijk domein en hoewel enigszins ongelukkig tot stand gekomen, kon deze niet anders worden uitgelegd dan als een teken van partijdigheid. Ook de datumkeuze voor het getuigenverhoor bood geen grond voor wraking omdat verdere getuigen op een later moment kunnen worden gehoord.
Het verzoek tot wraking werd daarom ongegrond verklaard en afgewezen door de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor wrakingszaken.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter is afgewezen wegens gebrek aan objectieve gronden voor partijdigheid.