Verzoekster heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287a Faillissementswet om een schuldeiser te dwingen in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. De schuldregeling betrof een betaling van 14,29% van de totale schuldenlast van €10.478,03, gebaseerd op haar PW-uitkering en met instemming van dertien schuldeisers. Eén schuldeiser, een eenmanszaak met een vordering van €645,95, weigerde mee te werken.
De rechtbank overwoog dat schulden die tijdens het beschermingsbewind zijn ontstaan, mogelijk niet op de onder bewind staande goederen verhaald kunnen worden indien de beschermingsbewindvoerder tijdig actie had ondernomen. Dit was niet gebeurd, waardoor de schuldregeling mogelijk niet het uiterste voorstel is. Verzoekster verscheen niet ter zitting om haar standpunt toe te lichten.
De rechtbank concludeerde dat onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht en dat het belang van de weigeraar zwaarder weegt dan dat van verzoekster en de overige schuldeisers. Daarom werd het verzoek tot gedwongen schuldregeling afgewezen.